Fauna-afleveringen van het WLD

De Fauna-afleveringen van het WLD
De Limburgse namen van de koolmees en van enkele andere kleine b
eestjes*

Door Joep Kruijsen

1. De koolmees

Eén van de het best met trefwoorden gestoffeerde artikelen over vogelsoorten in de vandaag gepresenteerde aflevering Vogels van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD III, 4.1) is wel dat van de Koolmees. Maar liefst 93 verschillende woordtypen worden er onderscheiden en ook zonder de precieze aantallen bij de andere vogels te hebben nageteld, kan men gerust stellen dat dit één van de rijkste lemma's is. Dat geldt ook voor het Woordenboek van de Brabantse Dialecten (WBD III, 4.1), waar voor de koolmees meer dan 100 trefwoorden worden geteld.

Er zijn 869 opgaven voor de koolmees verzameld in de twee provincies Limburg. Als de dubbele antwoorden (dezelfde opgave voor dezelfde plaats) worden weggelaten, zijn er nog altijd meer dan 600 over: de koolmees wordt zeer goed gekend en de benamingen laten een gevarieerd lexicaal landschap zien, dat van de andere kant ook weer gemakkelijk geleed kan worden in afzonderlijke kleinere gebieden.

illustratie 1. taalkaart Koolmees

Op de hier getoonde kaart zijn de tien frequentste woordtypen van de 93 genoemde ingetekend. In de woordenboektekst vindt men, allicht, àlle trefwoorden uitgeschreven met de aanduiding van hun vindplaatsen of -streken. In de kaarten van het woordenboek zijn, voornamelijk omwille van de leesbaarheid, alleen trefwoorden opgenomen die minstens vier keer zijn opgetekend. Hier is nog wat meer samengenomen en zijn dus 10 trefwoorden aangehouden, die in de volgende vijf samenhangende groepen kunnen worden behandeld.

Mees, meesje (/ op de kaart)


mees (ook meeske, meetske, mezeke): verspr. in heel Lb.

Hoewel dat er op het eerste gezicht op de kaart niet naar uitziet --de schuine streepjes vallen immers maar amper op-- is het woordtype mees en het verkleinwoord meesje het frequentst van alle in de twee provincies Limburg. Het is er ruim 200 keer opgegeven, verspreid over het gehele gebied.1 De invloed van de standaardtaal laat zich met dit kaartbeeld wel raden.

De herkomst van het woord mees is omstreden. De vorm is algemeen Germaans en komt ook in enkele Keltische talen voor. Vanwege die ruimtelijke verspreiding heeft men wel gezocht naar aansluiting bij Latijn mesula, een nevenvorm van merula'merel'. Dat zou voor de betekenisgeschiedenis van mees interessant zijn, maar in de laatste uitgave van Van Dales Etymologisch Woordenboek (EWb) is dit etymologische pad toch weer verlaten en houdt men het op een Germaans erfwoord.

Bijmees en andere samenstellingen met bijen- (cirkeltjes op de kaart)


bij(en)mees (ook bijenmeeske, bijmeeske, bijmeetske, bijmjeeske, scheel bijmees): freq. Oost.Zuidlb., Zuid.Oostlb., Centr.Maaslds. en Kleverlds., verspr. Maaskemp., Trichterlds. en Dommellds.; ook in Eygelshoven en Lommel.
bij(en)mus (ook bijenmuske, bijmuske, dobbel bijmuske, scheel biemuske, scheel bijmus): alg. Noord.Oostlb., Weertlds., Horns en Maaskemp., verspr. Zuid.Oostlb., Centr.Maaslds. en Dommellds.; ook in Helchteren, Houthalen, Arcen en Gennep.
bijenpik(ker) (ook bijenpikske): freq. Kleverlds., en Zuidgeld.Lb., verspr. Noord.Oostlb.

Het meest in het oog springend op de kaart is het grote verspreidingsgebied van de benamingen waarin het eerste element door bij- of bijen- wordt gevormd. Het zijn de open cirkeltjes van bij- of bijenmees en het noorden en zuiden van Nederlands Limburg, en gepunte cirkel van bij- of bijenmus in midden van Nederlands Limburg en het aansluitend noorden van Belgisch Limburg en het kleine cirkeltje met een kruis in het zuiden van het Kleverlands voor bijenpik of bijenpikker en bijenpiet.

Dit massieve Limburgse bijen- gebied loopt ook door in het Brabants: de gehele provincie Noord-Brabant en het noorden van de Antwerpen zijn ermee overdekt en bijmees komt ook sporadisch in het Meetjesland van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (WVD III, Vogels) voor. Men vindt het benoemingsmotief ook in Drenthe en Friesland en, met het Groningse ieme voor 'bij' ook in Groningen als iembieter, iempikkertje (Blok en Ter Stege 1995: 220).

Het motief is helder en vindt zijn oorsprong in de voor imkers lastige gewoonte van de koolmees om 's winters de slapende bijen te storen door met de snavel tegen de korf bij het vlieggat te tikken. Als de half slapende bijen naar buiten komen, zijn ze een gemakkelijke prooi voor de mees.

Klanknabootsend tietemees (sterretjes op de kaart)


tietemees (ook tietemeeke, tietemeeske): freq. Bilzerlds. en Tongerlds.; ook in Genk, Hees Heers, en Borgloon.

In oostelijk Haspengouw met Tongeren als centrum ligt een compact gebied waar de koolmees tietemees wordt genoemd. Het moet een samenstelling zijn met een onderliggend klanknabootsend werkwoord tieten, gevormd naar de zo karakteristieke roep van de koolmees: ta-tie-ta- tie-ta, die Gezelle in zijn gedicht Het Meezennestje heeft nagebootst in een prachtig variërend refrein:
Tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om2
Het werkwoord tieten zelf, voor de zang van de mees, ben ik overigens in deze vorm nergens tegengekomen, wel, in het WVD, tjieten en tjieteren voor 'tjilpen' (o.c. 32). Ook tieter(ke), het nomen agentis van een onderliggend werkwoord tieten of tieteren komt in het WLD en elders voor als benaming van de winterkoning en het goudhaantje3.

De koolmees als eikbewoner (driehoekjes op de kaart)


kees/kezenmees (ook keesmeeske, kezenmeeske): verspr. Oostlb-Rip. overgg., Zuid.Oostlb. en Truierlds.; ook in Gemmenich, Kelmis, Itteren, Hasselt, Sint-Lambrechts-Herk en Tessenderlo.
kees/kezenmus (ook keesmuske, kezenmuske): freq. Truierlds., Zuiderkemp., Beringerlds. en aansluitend Demerkemp.; ook in Alken, Ulbeek en Lommel.
keeske(i)t: verspr. Demerkemp. en Lonerlds.
keesmuts:
Kerkrade Wb.

Twee vrij compacte gebieden komen voor in het zuiden van het Limburgse gebied waar het eerste element wordt gevormd door kees of kezen. Dat zijn oostelijk kees- of kezenmees in het uiterste zuiden van Nederlands Limburg en de Voerstreek (open driehoekje) en aangrenzend Kerkraads keesmuts (dichte driehoek) en westelijk kees- of kezenmus in de zuidwestelijke rand van Belgisch Limburg (gestipte driehoek) en keesket of keeskeit (dakje) in het eveneens westelijke Lonerlands en in zuidelijk Demerlands. Dit westelijk Limburgs kees-gebied zet zich aanvankelijk over de volle breedte door in het aangrenzende Brabants, tot een nog smalle strook in Oost-Vlaanderen met keesmusje en keesje. (WVD o.c. 64 en 65; zie ook Van Den Heede 1996).

In het tweede element varieert mees met mus, dat hier zoveel als 'klein vogeltje' betekent, een variant die in een tiental trefwoorden in het woordenboekartikel van de Koolmees voorkomt. We hebben het al bij bijenmus gezien en komen het ook nog als koolmus tegen. Muts, rond Kerkrade, kàn een variant van mus zijn, maar ook verband houden met mots, 'borstelig, kortgeknipt haar', daar heeft het kopje van de koolmees immers wel wat van weg. Keit of ket in het westen komt, in de betekenis van vogel, niet in grote woordenboeken voor. We vinden het bij een vijftiental kleine vogels in het WLD, vaak maar één of twee keer. De meest waarschijnlijke samenhang is die met ketsen, 'snel bewegen''.

Het eerste element van deze samenstellingen is een echte etymologische puzzel. Hoe lastig die puzzel is, wordt fraai aangetoond door Claes (1904: 105 en 108) in zijn Bijvoegsel aan Tuerlinckx' Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon. Claes voert daar dezelfde uitspraaknotering kiëzemiës onder twee verschillende trefwoorden op, onder kersmees (108) en onder keezemees (105).

illustratie 2. Claes, Hagelandsch Idioticon

Op het eerste gezicht valt fonetisch voor die kers-optie wel wat te zeggen, het r-loze gebied in de WLD-kaart van kers valt immers redelijk met die van het element kees- in onze koolmees-kaart samen, maar semantisch is geen enkele aanknoping te vinden: mezen lusten geen kersen.

De tweede optie van Claes, de verwijzing naar kaas, vanwege de gele kleur van de borst van de koolmees, is bij herhaling in de literatuur terug te vinden. Het prestigieuze WNT heeft onze keesmees-vormen dan ook onder het lemma kaasmees ondergebracht en daar wordt verondersteld dat dit benoemingsmotief wellicht samenhangt met een opmerking van de bioloog Houttuyn uit het einde van de XVIIIe eeuw dat men een koolmees kaas kan voeren. Een dergelijk benoemingsmotief lijkt ver gezocht en onwaarschijnlijk. Bovendien was de kaas van oudsher niet geel, zoals de moderne gestremde kaas, maar wit zoals de dik- kaas van zure melk. Toch vindt men ook in recenter werk de verwijzing naar kaas ter verklaring van deze benaming, zoals in De Nederlandse Vogelnamen van Blok en Ter Stege (1995: 219) en ook in het Hasselts Woordenboek (Staelens 1982: 242). Bovendien levert een nauwkeurige vergelijking van de kaas-realisatie in Zuid-Limburg uit de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND, zin 66) met de kees-elementen in de benamingen van de koolmees op dat de fonetische overeenkomsten maar zeer gedeeltelijk zijn.

Mogelijkerwijs er is ook een andere verklaring aan te voeren en we maken daarbij een kleine reis door de tijd.

Enige tijd geleden berichtten de landelijke dagbladen een opvallende verandering in het gedragspatroon van de Vlaamse gaai. Nu komt u deze vogel vandaag nog een aantal keren op taalkundige wijze tegen, maar het gaat me nu even over zijn gedrag. Natuurverenigingen hadden namelijk opgemerkt dat deze tot voor één generatie nog schuwe en weinig zichtbare bosvogel in vrij korte tijd een stadsvogel was geworden, een mensvolger, dagelijks waarneembaar in de parken van de grote steden. Het dier had zijn gedrag gewijzigd en het nieuws was zo opvallend dat het, zoals gezegd, de krant haalde.

Lang geleden, naar hier aannemelijk wil worden gemaakt, in de Romaanse periode, dat wil zeggen tussen de ondergang van het Romeinse Rijk in het midden van de 5e eeuw tot aan het ontstaan van de afzonderlijke Romaanse talen in de negende eeuw, moet er ook zoiets gebeurd zijn met de koolmees.

De oorspronkelijke habitat van de koolmees en de pimpelmees is, volgens de broedbiologen4, de eik en het eikenbos. Er is een opvallende parallellie tussen de broedtijd van de mees en de ontwikkeling van de groene eikebladroller,

illustratie 3. afbeelding uit Weeda 1985-94, I, 111

een insect (Tortrix viridana) dat massaal op jonge eikenblaren voorkomt vanaf het moment dat de jonge mezen ongeveer een week oud zijn. Latere meesbroedsels en broedsels in andere biotopen hebben aanzienlijk minder succes. De mees was bovendien in de vroege middeleeuwen een beschermde (dus nuttige) vogel, er is een passage in de Lex Salica uit het begin van de 6de eeuw aan hem gewijd waarin het uithalen van mezennestjes en het jagen op mezen in de broedtijd strafbaar wordt gesteld, omdat de mezen de voor de heilige eik schadelijke insecten opruimden (vgl. FEW XVI, 547b).

Welnu, er is een geromaniseerd keltische en dus naar de tijd Romaanse eikbenaming voor handen in cassanus, oorsprong van het fr. chêne, dat, vanwege het religieuze belang van de eik in de Keltische cultuur, zich nooit door het Latijnse quercus uit Gallië heeft laten verdringen (Bloch-Von Wartburg s.v. chêne). Rudolf Post (1982: 231-232 met kaart) heeft de nakomelingen van dit Keltisch cassanus in het Rijnland onderzocht en vindt daarbij, naast toponymische elementen ook een vogelbenaming die met kaas- of kues- is samengesteld, kuesläferchen voor de boomklever. Het Rheinisches Wörterbuch (IV, 236) geeft overigens ook Käsemeise op voor de koolmees.

Dit Keltisch cassanus 'eik' lijkt een betere kandidaat als oorsprong voor het element kees- van de keesmees dan het woord kaas; kaas die, zoals we zagen, zeker in de tijd van het ontstaan van het woord keesmees, wit zal zijn geweest en niet geel.Keesmees is daarmee een habitat-benoemde benaming en niet een benaming met een kleur als motief.

Cassanus is ook geen vreemde in de toponymie van dit deel van het oude land van de Franken zoals die door Gysseling is beschreven in zijn Toponymisch Woordenboek. We vinden er een handvol bewijsplaatsen van tussen ruwweg Hesdin en Dendermonde5.

Tenslotte is, zoals we ook bij andere gelegenheden aantoonden, deze zuidelijke strook van de twee Limburg een ideaal jachtterrein voor overblijfselen van de Romaanse en geromaniseerde culturen.

Kool- in koolmees (vierkantjes op de kaart)


koolmees (ook koolmeeske): zeldz. in heel Lb.
koolmus (ook koolmuske): verspr. Demerkemp., Beringerlds. en Brab.Lb.; ook in Einighausen en Horst.

En wat dan aan te vangen met kool-? Zou dat dan wel een kleurbenoemende naam zijn? Nu is het mutsje van de koolmees zo zwart als kool, daarop valt weinig af te dingen. En het Duitse Kohlmeise en het Franse charbonnière verwijzen ook onmiskenbaar naar het (houts)koolkleurige kopje van de mees. Maar toch zijn er twee overwegingen de moeite van het in ogenschouw nemen waard.

Vooraf moet vastgesteld worden dat koolmees en koolmus verspreid over heel Limburg voorkomen en er niet frequent zijn; in het WBD komt het wat vaker, maar ook verspreid over het gehele gebied voor en in het WVD is het voorkomen algemeen te noemen. Verder komt kool- als eerste element van vogelbenamingen ook voor bij de houtduif -- en wordt daar verklaard als kool 'brassica, de groente', dus vanwege kool als voedsel van de vogel -- en bij de heggenmus. In dit laatste geval is de verklaring lastig: de heggenmus is niet zwart maar bruingrijs en heeft ook geen eetgewoonten die iets met koolplanten van doen hebben. Bovendien zijn de heggenmusbenamingen, koolmees en koolmus, identiek aan die van de koolmees en moeten we dus wel uitgaan van dezelfde verklaring van de namen voor de twee vogelsoorten.

Een eerste etymologische veronderstelling is dat kool hier moet worden opgevat de voornaam Kool, uit Nikolaas, zoals immers wel meer volksnamen van vogels met voornamen zijn gevormd: pietje pover, broekhannes, of hannewuiter, enz. Ook hier mag ik verwijzen naar de kaart en het commentaar van de Vlaamse gaai. Kool- heeft een belangwekkende parallel bezuiden de taalgrens in de Waalse vogelnaam colas en varianten voor de Vlaamse gaai (ALW.VIII, 110). Toch is de veronderstelling van de mansnaam Kool onwaarschijnlijk omdat het woordvormingsprocédé voornaam plus generieke vogelnaam (van het type jan-mus of anne-vink) nergens elders aangetroffen is.

De tweede en, in het licht van de kees-benamingen interessantste, overweging bij koolmees is echter het element kool- toch te bezien in relatie tot de houtskool die in de bossen werd gemaakt. Houtskool was immers van oudsher de meest gebruikte brandstof in huis, werd gemaakt in de kolenbranderijtjes van klein hakhout in de bosranden. Juist daar waar, vroeger veel meer dan nu, de heggenmus en de koolmees huisden. Niet de kleur van de veren is dan benoemingsmotief geweest, maar de leefomgeving van de twee vogels, de biotoop. Koolmees en koolmus, namen die voor de twee vogelsoorten door elkaar voorkomen, zijn dan metonymisch gebruikt voor bosmees of houtmees, resp. bosmus of houtmus.

Tot zover de kaart van de koolmees in Limburg en het belang ervan voor:

- De rol van de staatsgrens en de Maas die in deze kaart immers niet als een scheiding van gebieden naar voren komen. Bijenmees is immers aan beide zijden ervan even goed vertegenwoordigd.

- De invloed van het Rijnland en met name de openheid aan het oostkant voor in dit geval geromaniseerd Keltisch leen- en cultuurgoed. De beschermde heilige eik uit de voor-christelijke periode leeft voort in de benaming keesmees.

Deze term voegt zich daarmee in het gezelschap van enkele andere taaie voorchristelijke namen, als die van de dagen van de week6 waarin nog Germaanse godennamen herkenbaar zijn, zoals woensdag, donderdag en vrijdag.

- De expressiviteit van dialectbenamingen, zoals die tot uitdrukking komt in de tietemees-groep. Tietemees berust immers op een onomatopee, een benaming die de nabootsing van het geluid is dat het vogeltje maakt. Dergelijke klanknabootsingen vormen een van de oudste procédees uit de geschiedenis van de taal waarmee de mens zijn directe omgeving begon te benoemen.

Hieronder volgen enkele kaarten uit de tweede Limburgse aflevering over de wilde fauna (WLD III, 4.2), waar gelijksoortige taalgeografische aspecten aan de orde zijn.

2. De eekhoorn

illustratie 4. taalkaart Eekhoorn

Het oude erfwoord eekhoorn stelde de taalgebruiker kennelijk voor problemen. Eekhoorn lijkt op het eerste gezicht een samenstelling en is het ook. Etymologisch bestaat het uit de elementen eik, dezelfde boom dus als in keesmees, en *orni, een verdwenen woord voor 'knaagdier'. Nu zijn samenstellingen doorgaans doorzichtig, de elementen zijn voor de taalgebruiker herkenbaar, ook al zijn ze oveedrachtelijk gebruikt. Maar dat is hier niet het geval. En dan gaat de verbeeldingskracht, de inventiviteit van de taal, aan het werk.

Er komen niet minder dan 39 verschillende lexicale varianten (dus varianten op woordniveau en niet alleen naar klank verschillend) van het woord eekhoorntje in ons materiaal voor: eechhoonke, eekhonneke, eekhoonsje, eekhoorntsje, eekjongke, enkhoornske, entshoorntje, enz. ik heb ze op de kaart voor het overzicht allemaal samengevat onder het schuine streepje.

Opmerkelijk is nu dat die taalverbeelding het niet begrepen element *orni gaat herinterpreteren tot iets wat men wel kan plaatsen. Het Algemeen Nederlands hoorn zelf is al zo'n volksetymologische omvorming van *orni. Het beestje heeft iets weg van een wilde kat en eekhoorn wordt eekkat en eekkatje (cirkeltje) en eekkater (gepunt cirkel) of eekpoes (sterretje) en zelfs, in de buurt van Heythuysen, waar ook het eerste element niet meer als eik wordt herkend, zeikpoes. Maar toch gaan alle benamingen uit deze kaart terug op het ene eek-hoorn, of preciezer, op het gereconstrueerde *eik-orni.

De eekhoorn komt in het woordenboek voor in de paragraaf niet schadelijke inheemse zoogdieren, samen met de egel en de spitsmuis. Ook de paragraaf inheemse roofdieren bevat enkele taalgeografisch opmerkenswaardige en in het oog springende zaken.

De kleine roofdieren, zoals de wezel, de hermelijn, de bunzing en de steenmarter mogen dan, zeker voor de aandachtige beschouwer in de dierentuin of in een natuurkundig museum waar ze zijn opgezet, duidelijk onderscheiden zijn, voor veel informanten en dialectgebruikers zijn ze dat niet. En dat is ook niet zo verwonderlijk, eerst al omdat men ze nu eenmaal niet zo vaak ziet en ze ook werkelijk veel van elkaar weghebben, maar ook omdat de beestjes met nogal wat ongenoegen en ergernis worden bejegend, omdat ze zo schadelijk zijn.

Opvallend is ook dat nogal wat benamingen bij deze diertjes door elkaar heen lijken te worden gebruikt. Op dit vlak is er een zekere parallellie met de onkruidbenamingen, die we bij de akkerbouw hebben behandeld en waar ook talloze overlappingen en schijnbaar "foute" benamingen zijn opgegeven. Ik houd het erop dat het in deze gevallen niet om onkunde of "vergissingen" gaat, maar om meerzinnigheid van affectief, en in dit geval negatief, zwaar beladen woorden. De vraag of je kippen nu door een wezeltje, een bunzing of een marter worden doodgebeten valt in het niet bij de terugkerende ergernis dat je weer eens een halve stal bent kwijtgeraakt. Maar goed, we gaan toch eens naar die boosdoenertjes kijken.

3. Kleine inheemse roofdieren in WLD

illustratie 5. Overzicht kleine inheemse roofdieren

wezel
Mustela nivalis, 20 cm, open plekken in het bos, jaagt in ratten en muizenholen.
alg. Limburgs wezel zuidwestelijk: muishond

hermelijn
Mustela erminea, 25-30 cm, habitat als wezel, jaagt ook in het water.
alg. Limburgs hermelijn in zuiden ook (witte) wezel
in noorden ook eierwezel
in Weertlands en langs de Maas ook fluwijn

marter
De boommarter (Martes martes) en steenmarter (Martes foina) 50 cm, voeden zich met vogels, knaagdieren en bosvruchten.
alg. Nederlands Limburgs: marter, maart, maats
zuidwestelijik (Haspengouw): fluwijn
zuidoosten (NL Zuid Lb.) fouine, bovien

bunzing
Putorius putorius, 40 cm, roofdier in bewoonde omgeving, kippendief.
alg. Belgisch Limburgs tot over de Maas: fis
in noordoosten: ulk, ulling
in het centrum langs de Maas: fluwijn, fouine
in zuidoosten; vuur, vuurder
NB de fret (Mustela furo) is een voor de jacht gekweekte bunzingvorm en heet (bijna) overal fret.

illustratie 6. taalkaart Bunzing

Bijna de helft van de opgaven in de taalkaart van de Bunzing in de twee Limburgen luidt fis of een variant ervan zoals visj of viesj. De kaart is natuurlijk een uitsnede uit een veel groter taalgebied en over het gehele zuidelijke Nederlands bezien loopt ons fis-gebied als een brede strook langs de taalgrens tot aan de Noordzee. Aan de oostkant raakt het fis-gebied de staatsgrens in Midden-Limburg en zet zich ook naar het oosten in het Rijnlands door. Fis en de variant fisjouw (in West-Vlaanderen) zijn via het Noord-Franse visse en de afleiding fichou ontleend aan laat Lat. vissio 'wezel'. In dit uitgestrekte fis-gebied komen we hier en daar een afwijkende vorm tegen, met name wezel en eierwezel, hetgeen ook wijst op de uitwisselbaarheid van de benamingen van deze kleine roofdieren waarover we zo-even spraken.

Maar aan de oostkant van ons gebeid is wat meer aan de hand. In het noorden, het Kleverland tot en met de streek rond Venlo, zien we ulk en het daarmee samenhangend ulling (cirkeltjes op de kaart), dat zich ook in het land van Cuijck, tot aan Den Bosch doorzet. Ulk hangt samen met het Duits-Rijnlands Iltis, de vorm die we ook in het uiterste Zuidoosten van onze kaart, rond Kerkrade, zien verschijnen. In ulk, ulling en iltis zitten het oude ele-lendi letterlijk 'elders-land, vreemd-land', en wiso, 'wezel'. Ons huidige ellende 'beroerdigheid' stamt rechtsreeks van dit ele-lendi 'vreemd-land' af. Ulk en ulling betekenen dus oorspronkelijk 'vreemde wezel' en zijn daarmee taalkundig neef en nicht van de eierwezel die we al zagen in het fis-gebied. De bunzing wordt benoemd als een soort wezel, die, op dat moment, bekender moet zijn geweest.

In het zuid-oosten van de kaart komen we vuur met de varianten vuurder en, bij Roermond, vuurs tegen. Dit vuur 'bunzing' heeft al veel dialectologen geboeid. Pauwels heeft erover geschreven en Roukens, Weijnen en onlangs nog Pijnenburg en Goossens. Vuur is geen Germaans erfwoord en heeft stellig iets te maken met Latijns fur 'dief', gezien de aard van het beest. Een ontlening uit het Frans kan het niet zijn, want daar komen al zeer vroeg de tweelettergrepige vormen furon en furet(waaruit ons fret) voor. De vorm en ook de verspreiding van het woord, Zuid-Limburg met aansluitend Rijnland tot aan Trier toe, maakt een vroege voor-Romaanse, dus Romeinse oorsprong aannemelijk; de grondvorm is dan *furio geweest.

Ook het verspreidingsgebied op de kaart doet aan dat andere Romeins of vroeg-Romaanse woord denken, aan kees van koolmees.

In het centrum van Midden-Limburg, tussen Maasbracht en Stein, vinden we fluwijn en varianten (kruisjes op de kaart), eigenlijk een marternaam die ook in maart, maats om de hoek kijkt in het bunzingnest. Fluwijn 'marter' is zeer sterk verbreid in geheel Vlaanderen en komt, ook in onze bunzing-kaart, voor in de nabijheid van fouine. Dat laatste in onmiskenbaar een Frans / Waals leenwoord in het Nederlandse taalgebied. Fouine is oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoord in de marter-benaming moustille fouine < Lat. mustela fagina, letterlijk 'beuk-wezel'; Lat. fagus betekent immers 'beuk'. Vergelijk ook Duits Buch-marder voor de 'boommarter'.

Maar waar komt dan dat woordbegin fl- vandaan? Fouine zou immers iets als fuwijn moeten opleveren en geen fluwijn. Nu is Waals flouine een handvol keer opgetekend in de buurt van Doornik en wordt dit in de Waalse Taalatlas verklaard als aanleuning tegen de Zuid-Nederlandse vormen met fl-; in Nederlandse studies (zoals Franck-van Wijk) wordt echter ditzelfde Henegouwse flouine aangeroepen als verklaring van die begin fl-. Het lijkt een pat-stelling.

Maar er zijn wel meer parallellen van een dergelijke invoeging van hulpklanken in de stemloze eerste lettergreep van Romaanse leenwoorden te vinden. Het is een vorm van fonetische "thérapeutique" zoals Gilliéron dat aan het begin van de vorige eeuw noemde, omdat die eerste lettergreep in leenwoorden zwak was en inderdaad vaak is verdwenen, denk maar aan krant uit courant en pruik uit perruque. In de wat romantiserende schrijfstijl van een eeuw geleden, kwam "de taal" aan die "natuurlijke zwakte" tegemoet en voegde hulpklanken toe, liquiden zoals l en r en nasalen. Ze zijn het vaakst te vinden in de dialecten van tegen de taalgrens, omdat daar de meeste leenwoorden worden gevonden, maar ze zijn ook wel in het AN doorgedrongen. Bijvoorbeeld in plavuis en plaveien naast pavee (WNT s.v.) en paveien (Endepols 324) uit Fr. pavée. In Maastricht vindt men plemaad naast pommade (Endepols 328; Gronsveld Wb. 358) en men treft kornijn aan naast konijn, pampier naast papier, rinket naast loket, enz. (Devos 1978).

Er is echter nòg een bijzondere parallel te vinden, op een andere kaart in deze zelfde aflevering van de wilde fauna en wel uit de paragraaf vissen.

illustratie 7. taalkaart Vin

Het is de kaart Vin van een vis. Op het eerste gezicht is er weinig opwindends aan, hooguit is er de gebiedsvormende kracht van de Maas in het Limburgse te zien.

We hebben er 295 keer het algemeen Nederlandse woord vin opgetekend, maar langs de Maas enige keren vim en een vijftiental maal vlim.

Vlim wordt algemeen beschouwd als een vrije variant van vim, dat we op onze kaart rond Venlo tegenkomen en dat een oude al in de dertiende eeuw opgetekende variant van vin is. Vim en vlim zijn vormvarianten en het woordbegin vl- naast v- kan niets met de therapie van zwakke leenwoorden van doen hebben, maar wordt verklaard door de associatie met of aanleuning tegen woorden die een verwante betekenis hebben als vleugel, vlies, vliegen, enz. Vlim is later ook overdrachtelijk 'kafnaald' gaan betekenen en als zodanig behandeld in de aflevering over de graanverbouw in deel I van het WLD, en wel nadat het eerst al, zeer succesvol, van betekenis 'vin' naar 'visgraat' was overgegeaan. Ook dit lemma is opgenomen bij de vissen. En er is een kaart van.

illustratie 8. taalkaart Graat

Vlim 'graat', dat is afgeleid van vlim 'vin', is dus ruimtelijk veel succesrijker dan in de oorspronkelijke betekenis 'vin'. Op deze twee kaarten is ook fraai te zien hoezeer de taal afkerig is van polysemie ofwel het naast elkaar voorkomen van meer dan één betekenis van hetzelfde woord. De twee betekenisgebieden overlappen in algemene zin elkaar niet. Tussen het gebied vlim in de zin van 'graat' en vlim in de (oudere) zin van 'vin', ligt zelfs een stukje niemandsland.

Slot

Terug naar fluwijn 'marter'. Naast de puur vormelijke verklaring vanuit de fonetische zwakte van het woordbegin, is er wellicht ook hier sprake van semantische aanleuning, van herinterpretatie vanuit een associatie met andere dieren.

Zoals vlim kon ontstaan naast vim door aanleuning tegen vlies en vleugel, zo kon ook fluwijn ontstaan naast fuwijn (of, ten zuiden van de taalgrens bij Doornik, flouine naast fouine) door aanleuning tegen fluweel (of Frans / Waals vluel, velours) vanwege de fluweelachtige huid van de marter.

Noten:

* Een verkorte vorm van deze tekst is als voordracht gehouden op 31 januari 2002 bij de presentatie van de eerste twee afleveringen van de Algemene Woordenschat van het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (WLD), deel III, 4.1 en 4.2. [terug]

1 Zie voor het algemene type mees ook WBD (III.4, afl. 1, 96-99) en het WVD (III, afl. 1, 64-68). [terug]

2 Guido Gezelle, Volledig werk, red. Jozef Boets, Tielt 1999: 252: Het Meezennestje. [terug]

3 Hier kan overigens ook verband worden gelegd met Frans petit, het gaat immers om kleine vogeltjes. [terug]

4 Zie vooral (suggestie van Jan Post): J.H. van Balen, A comparative study of the breeding ecology of the great tit parus major in different habitats, in: Ardea 61 (1973), 1-93. [terug]

5 M. Gyseling (1960), Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226). Brussel, geeft de volgende namen met het element cassanus: Caisne (Artois), Caisneiolum (bij Hesdin), Casnoît (bij Valenciennes), Casenuit (bij Dendermonde) en Kesniaus (bij Doornik). [terug]

6 Zie Kruijsen, J. en E. Mooijman (1986), The week and some days of the week (ALE, QI) in: N. Århammer e.a. (eds.), Aspects of language. Studies in honour of Mario Alinei. Amsterdam, 380- 400. [terug]

Verwijzingen:

ALW: Haust, J. (1953--), Atlas linguistique de la Wallonie. Liège; hier: Tome 8 par Marie-Guy Boutier (1994).
Bloch, O. & W. von Wartburg (1975, 6e dr.), Dictionnaire étymologique de la langue française. Paris.
Blok, H. en H. ter Stege (1995), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis. Leidschendam/Waalre.
Claes, D.(1904), Bijvoegsel aan de Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon van J.-F. Tuerlinckx. Gent.
Devos, M. (1978), Raket, reket, roket, riket, rinket, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 94.1-2, 25-66.
EWb, Veen, P. van en N. van der Sijs (1997, 2e druk), Etymologisch Woordenboek. De herkomst van onze woorden. Van Dale. Utrecht/Antwerpen.
FEW: Von Wartburg, W. (1948--), Französisches etymologisches Wörterbuch. Tübingen.
Franck- van Wijk: Franck, J., N. van Wijk en C.B. van Haeringen, (1976), Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche taal, onveranderde herdruk van 1912 met supplement uit 1936. 's-Gravenhage.
Goossens, J. (1988), Sprachatlas des nördlichen Rheinlands und des südöstlichen Niederlands. "Fruankischer Sprachatlas". Marburg.
Gyseling, M. (1960), Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226). Brussel.
Pauwels, J.L. (1931), De bunzing in de Zuidnederlandse dialecten, in: Leuvensche Bijdragen 23, 1-20.
Pijnenburg, W. (1983), Een Westfrankische bunzing, in: Leuvense Bijdragen 72, 437-458.
Post, R. (1982), Romanische Entlehnungen in den westmitteldeutschen Mundarten. Wiesbaden.
RhWb: Müller, J. (1928-71), Rheinisches Wörterbuch. Bonn.
RND: Reeks Nederlandse Dialectatlassen, uitgegeven onder leiding van E. Blancquaert en W. Pée. Antwerpen 1930-1982.
Roukens, W. (1937), Wort- und Sachgeographie in Niederländisch-Limburg und den benachbarten Gebieten. Diss. Nijmegen.
Staelens, X. (1982), Dieksjenèèr van t (H)essels. Hasselt.
Van Den Heede, V. (1996), Benamingen voor de koolmees vroeger en nu: een vergelijking van de twee woordkaarten, in: WVD-Contact 10, 29-34.
WBD, Woordenboek van de Brabantse Dialecten. Assen, 1967--; hier: deel III.4, afl. 1, Fauna Vogels, 2001 en deel III.4, afl. 2, Fauna, overige dieren, 2001.
Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra en T. Westra (1985-94), Nederlandse ecologische Flora I-V, Hilversum/Haarlem.
Weijnen, A. (1967), Leenwoorden uit de Latinitas stratigrafisch beschouwd, in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, Nieuwe reeks, 365-480; met register ook opgenomen in: A. Weijnen, Algemene en Vergelijkende Dialectologie. Amsterdam 1975, 189-299. Hier wordt naar deze laatste versie verwezen.
WLD, Woordenboek van de Limburgse Dialecten. Assen, 1983--; hier: deel III.4, afl. 1, Fauna Vogels, 2001 en deel III.4, afl. 2, Fauna, overige dieren 2001.
WVD, Woordenboek van de Vlaamse Dialekten. Gent/Tongeren, 1979--; hier: deel III, afl. 1, Fauna Vogels, 1996