Interview moerdijk

Interview aan de Witte Singel (1998)
Een ontmoeting met A.M.F.J. Moerdijk, de laatste hoofdredacteur van het WNT

door Roland de Bonth en Rob Tempelaars

(verschenen in Trefwoord 13 (1998-1999), p. 24-33)

Dr. A.M.F.J. (Fons) Moerdijk (Roosendaal 1944) is de laatste hoofdredacteur van hetWNT . Vanaf 1969 was hij als leraar Nederlands verbonden aan het Carolus BorromeusCollege in Helmond, tot hij in 1975 zijn onderwijsbaan verruilde voor een functie bij hetWoordenboek. Daar werd hij na een interne opleiding in 1977 tot (zelfstandig) redacteur benoemd. Hij promoveerde twee jaar later bij A.A. Weijnen op een proefschrift met alsindrukwekkende titel Continentaalwestgermaanse en centraalromaanse heteroniemen voor het begrippencomplex rok - onderrok - jurk. Ruimtelijke verbreiding en methodischeverdieping van het areaallinguïïstisch onderzoek. Weer tien jaar later volgde hij Walter de Clerck op als hoofdredacteur van het WNT. Op 6 juli 1998 spraken wij met de laatstehoofdredacteur van het grootste woordenboek ter wereld en stelden hem vragen die - zo vertelde hij na afloop - heel anders waren dan hij gewend is. Want nu de laatsteaflevering van het WNT verschenen is, staat de telefoon roodgloeiend. En als dejournalisten opbellen naar het Witte Singel-Doelen-complex in Leiden, waar het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) en dus ook het WNT sinds 1982 gehuisvest zijn,willen zij meestal alleen maar weten wat het WNT eigenlijk voor een woordenboek is,waarom Belg, baby en februari er niet in staan en waarom er anno 1998 nog mensenbestaan die mensen als menschen spellen.

Het WNT is sinds enige tijd, na 147 jaar noeste arbeid, voltooid. Welk gevoel overheerst op dit moment bij u: een gevoel van weemoedigheid, van trots of van opluchting?

Ik vind het moeilijk om een voorkeur voor een van deze gevoelens aan te geven. Er iseigenlijk sprake van een combinatie ervan. Welk gevoel bij mij de boventoon voert,hangt voor een belangrijk deel samen met de situatie. Als we binnenkort de voltooiingvan het WNT op officiële en feestelijke wijze vieren, zal ik zeker een gevoel van trotshebben. Op dit moment overheerst echter de weemoedigheid, want het staat buiten kijfdat er in Nederland nooit meer een soortgelijk woordenboek zal verschijnen. En danheb ik het niet alleen over de inhoud en de omvang van het werk, maar ook over devoorgeschiedenis van deze onderneming; vanaf het begin is het WNT monumentaal geweest. Een gevoel van voldoening heb ik zeker ook. Het doet mij goed dat het mij - en alle andere medewerkers van de vijfde generatie - is gegeven het WNT te voltooien.Van de drie emoties die u heeft genoemd, is opluchting duidelijk de minste.

Welke doelen heeft u zichzelf gesteld toen u in 1989 aantrad als hoofdredacteur van hetWNT?

Er stonden mij toentertijd twee doelen voor ogen. Het belangrijkste doel was zonder meer het voltooien van het hoofdwerk van het WNT. Dat was een haalbare kaart, als er zich tenminste geen echte calamiteiten zouden voordoen. Hoe dichter het einde in zicht kwam, des te betrouwbaarder wordt het voorspelgehalte. Minstens zo belangrijk vond ik het dat het Aanvullingenproject van de grond moest komen.Deze doelstellingen zijn min of meer door het beleid van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie opgelegd. Daarnaast had ik nog een persoonlijk verborgen agendapunt opgesteld: ervoor zorgen dat alle medewerkers de ruimte kregen om met plezier de eindstreep te halen, om daar harmonieus naar toe te werken.

Hoe heeft u dat proberen te bewerkstelligen?

Ik heb dat gepoogd door iedereen zoveel mogelijk in zijn eigen waarde te laten. Bovendien heb ik getracht alle medewerkers nauw bij de voltooiing van het WNT te betrekken, dat wil zeggen niet alleen de redacteuren - die hebben door hun werkzaamheden toch al een hechte band met het Woordenboek als eindproduct - maar ook de assistenten, die aan de basis van het redactionele werk staan.

Bent u in uw opzet geslaagd?

Ik denk van wel, al is het aan anderen om te oordelen of dit daadwerkelijk het geval is. Laat ik het zo zeggen: niets wees er het afgelopen decennium op dat het vervelend wasom bij het WNT werkzaam te zijn. Maar nogmaals, deze vraag kunt u beter voorleggenaan andere medewerkers van het Woordenboek.

Als u uzelf zou mogen typeren en daarbij de keuze had uit de volgende omschrijvingen - etymoloog, semanticus, dialectoloog, lexicograaf, manager -, welke kwalificatie is dan het meest op u van toepassing?

Door mijn functie als hoofdredacteur was ik veel tijd kwijt aan zogenaamde managerstaken - het maken van planningen, het delegeren van taken, het controleren van de voortgang en het op elkaar afstemmen van verschillende activiteiten. Dit was weliswaar bijzonder leerzaam, maar doordat deze bezigheden zoveel tijd in beslag namen, kwam mijn wetenschappelijke hart enigszins in het gedrang. Tijdens mijn studie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen heb ik me bij dedialectoloog professor A.A. Weijnen hoofdzakelijk beziggehouden met woordonderzoek.Ik maakte daarbij onder andere studie van het Indogermaans en deed ook veeletymologisch onderzoek. In die periode voelde ik me vooral dialectoloog en etymoloog.Door mijn werk bij het INL ben ik echter meer semanticus en lexicograaf geworden.Eigenlijk vind ik het niet eerlijk om mij bij één van de genoemde typeringen in te delen: ik voel me in de eerste plaats wetenschapper. Maar als ik per se moest kiezen tussen semanticus en lexicograaf, dan zou ik zeggen dat ik me toch het meest beschouw als lexicograaf.

Denkt u dat het voor een manager die niet-lexicografisch geschoold is, mogelijk zou zijn geweest als hoofdredacteur het WNT tot een goed einde te brengen?

Nee, de hoofdredacteur van het WNT is namelijk niet uitsluitend iemand die belast ismet het uitvoeren van managementtaken. Ik heb ook alle kopij gelezen en uniformiteitnagestreefd in het Woordenboek. Met andere woorden, ik was als hoofdredacteur van het WNT ook inhoudelijk ten zeerste betrokken bij de totstandkoming van het woordenboek. Er zijn in het afgelopen decennium duidelijke afspraken gemaakt met deredacteuren en de andere medewerkers over de te volgen werkwijze bij het schrijven van artikelen voor het WNT. Continu vonden er werkbesprekingen plaats, waarbij geregeld aan de gemaakte afspraken werd herinnerd. Als hoofdredacteur heb ik allekopij gelezen, correcties voorgesteld, de uniformering in de gaten gehouden... Dat kanalleen gedaan worden door iemand die het WNT goed kent.

Als hoofdredacteur bent u beduidend minder in het Woordenboek gaan publiceren dan toen u nog redacteur was. Bent u het lexicografisch handwerk niet gaan missen?

Ik kwam bij gebrek aan tijd de laatste jaren inderdaad bijna niet meer toe aan het schrijven van artikelen. Na de zeer omvangrijke trefwoorden worden en zijn heb ik geen artikelen meer geschreven voor het hoofdwerk van het WNT. Die twee artikelen vormdenwel een mooie afsluiting. Ik heb eerlijk gezegd nooit het idee gehad dat ik van hetlexicografische handwerk vervreemd ben. Uiteraard hangt dit ook samen met het feit dat ik tijdens het lezen van kopij, de gelegenheid had mijn eigen inzichten over lexicografie te toetsen aan die van de redacteuren van het WNT.

Kunt u enige verschillen en overeenkomsten noemen die er bestaan tussen de eerste hoofdredacteur van het WNT, Matthias de Vries, en de laatste hoofdredacteur?

(Lijkt verrast en blijft enige tijd stil) Ik vind het heel lastig om daar een uitspraak over te doen... (zwijgt weer enige tijd en zegt dan lachend) ... omdat ik de eerste nooit persoonlijk heb gekend. Aardig in dit verband is misschien een opmerking die tegen mijgemaakt werd tijdens een van de laatste bijeenkomsten van het Matthias de Vries- genootschap. Ik hield bij die gelegenheid een lezing over de positie van het WNT na devoltooiing ervan. In die voordracht pleitte ik ervoor om een toekomstige versie van hetWNT niet aan te vullen met ál het taalgebruik dat in Nederland wordt gebruikt. Ik zei dat het niet nodig was alle vormen van modieus jargon en informele uitdrukkingen op te nemen. Na afloop van deze lezing betitelde een van de toehoorders mij vanwege ditpuristisch standpunt als de nieuwe Matthias de Vries. Mijn verhaal was echter niet bedoeld als een pleidooi voor een sterk doorgevoerd purisme. Wat ik wilde zeggen, was dat men als woordenboekmaker bepaalde verantwoordelijkheden heeft. Dat betekent dat voor foutieve constructies in woordenboeken als het WNT geen plaats wordt ingeruimd. Als het aan mij ligt, wordt in een woordenboek bijvoorbeeld geen melding gemaakt van het gebruik van het voornaamwoord hun als in hun lopen op straat. Dat dit vaak voorkomt, is een andere zaak, maar ik vind dat een lexicograaf de verspreiding van dergelijke fouten niet behoort te bevorderen. In een algemeen Nederlands woordenboek moeten we beslist niet alle taalvormen beschrijven die in het Nederlandse taalgebied worden gebruikt. Een woordenboek wordt door veel taalgebruikers namelijk gezien als een autoriteit. Hoe vaak hoor je mensen niet zeggen dat iets goed is, omdat het in het woordenboek staat. Ook woorden uit bijvoorbeeld de jongerentaal horen naar mijn mening niet allemaal en zonder meer in een algemeen woordenboek thuis. Maak ik vind wel dat dergelijke groepstalen beschreven moeten worden door deskundigen in afzonderlijke werken.

(Denkt weer even na) ... Een verschil met Matthias de Vries is verder dat hij een 'gloedvoller' spreker en schrijver was dan ik. Waarschijnlijk ben ik wel een betere voorspeller dan hij, ook als je in aanmerking neemt dat dit tegen het eind van de rit altijd gemakkelijker is om te doen dan aan het begin. Wat ik wil zeggen, is dat Matthias de Vries zich voortdurend in nevelen hult als het gaat over de omvang van het WNT. Hij goochelt een beetje met cijfers en deinst niet terug voor een leugentje om bestwil. Zo kwam er op een bepaald moment kritiek van het publiek dat er te veel citaten in het Woordenboek vermeld zouden staan. In de Inleiding van het WNT verweerde De Vries zich tegen deze kritiek met de opmerking dat er al een zorgvuldige selectie was gemaakt uit het overstelpende bronnenmateriaal; het totale aantal citaten dat in de loop der jaren was verzameld, bedroeg namelijk volgens hem ruim het driedubbele.2 Dit is een duidelijk voorbeeld van een rookgordijn dat De Vries heeft opgetrokken om de werkelijkheid aan het zicht te onttrekken. Steekproeven in de artikelen van De Vries zelf en van andere redacteuren van de eerste generatie hebben namelijk uitgewezen dat dertig procent van de voorbeeldzinnen uit het WNT poëmen3 zijn. Het moge duidelijk zijn dat dit eerder wijst op een gebrek dan op een overvloed aan materiaal, zoals De Vries suggereert.

Een ander verschil tussen De Vries en mij is dat hij hoogleraar was en ik niet. Datmaakt mij weinig uit, al had ik wel graag onderwijs willen geven tijdens mijn hoofdredacteurschap. Ik vind het namelijk plezierig om kennis over te dragen. Dat een docent zich naast het lesgeven ook bezighoudt met allerhande sociale activiteiten, is een aspect van het onderwijs dat mij bijzonder aanspreekt.

Dan is lexicografie doceren op universitair niveau wellicht de oplossing?

Als we de Nederlandse situatie vergelijken met die in de ons omringende landen is het curieus te noemen, dat hier te lande geen aparte studierichting lexicografie bestaat. Er is in het verleden kennelijk niemand geweest die de behoefte gevoelde zich daarvoor sterk te maken. Het ontbreken van een leerstoel lexicografie verbaast me wel. Het lijkt erop alsof alles wat buiten het blikveld van de theoretische taalkunde valt, aan Nederlandse universiteiten geen schijn van kans maakt.

Wie tegenwoordig een werkkamer van een WNT-redacteur betreedt, verbaast zicherover dat een personal computer geen deel uitmaakt van het interieur. Waarom is er in1976, toen er enkele besluiten werden genomen die moesten leiden tot een versneldevoltooiing van het WNT, voor gekozen het materiaal met de hand te blijven bewerken en niet met behulp van de computer?

Het zou inefficiënt zijn geweest om aan het eind van het project nog over te schakelenvan de ouderwetse kaartenbakken op de computer. Met uw vraag gaat u namelijk welerg uit van de huidige stand van de techniek. U moet bedenken dat de computertechnologie in de jaren zeventig nog in de kinderschoenen stond; we hebben het dan over de periode van de ponskaarten! En bovendien: we hebben het dan niet zozeer over de uiteindelijke bewerking van het materiaal, maar eerder over het gebruik van de computer bij het verzamelen van de citaten. Tegen het eind van de jaren zeventig zou het gebruik van computers zeker geen tijdwinst hebben opgeleverd. Er moesten op dat moment nog ruim 1 miljoen citaten worden bewerkt. Het digitaliseren van dat bronnenmateriaal zou buitensporig veel tijd gekost hebben. En dan was het WNT nu niet voltooid geweest.

Wat is volgens u de grootste verdienste van het WNT?

De grootste verdienste is dat er maar liefst vijf eeuwen taal- en cultuurgeschiedenis op grondige en wetenschappelijke wijze zijn vastgelegd. Al het andere, zoals de uitspraakdat het WNT de moeder van alle woordenboeken is, kan men hierop terugvoeren. Het WNT wordt naar mijn mening te vaak over één kam geschoren met hetOxford English Dictionary (OED) en het Deutsches Wörterbuch (DWB), terwijl er toch duidelijke verschillen tussen het WNT en deze zusterwoordenboeken zijn aan te wijzen.De grote kracht van het WNT is dat het - meer dan het OED en het DWB - door middel van citaten niet alleen de betekenis maar vooral ook de gebruiksmogelijkheden laat zien van het trefwoord. Nauwkeurig kan men in het WNT met behulp van aanhalingenbijvoorbeeld nagaan dat sommige werkwoorden uitsluitend voorkomen met een bepaalde klasse van objecten. Naast een goed gebruik van citaten, is een ander sterk punt van het WNT het encyclopedische aspect. Men verwijt het Woordenboek wel eensdat het soms te uitvoerig ingaat op encyclopedische aspecten van bepaalde trefwoorden, maar dit levert prachtige 'portretten van woorden' op. In de OED zal men dat veel minder aantreffen; daar wordt veel vaker volstaan met een directe betekenis omschrijving. Het WNT is, hoe vreemd het wellicht ook mag klinken, in deze opzichten vaakverrassend modern.

Waaraan ergert u zich het meest als u het WNT raadpleegt?

In elk geval niet aan het ontbreken van woorden, want ik ben me er volledig van bewustdat het nooit zal lukken om volledig te zijn. Wat me wel ergert, is dat er, door het ontbreken van sluitende afspraken, in het verleden een veel te grote ruimte was voor de redacteuren om met allerlei persoonlijke oplossingen te komen. Bij de huidige, vijfde generatie kunnen we veel meer spreken van een eenheid. Soms is die methodische losheid ingegeven door praktische noodzaak. Zo werd de indeling in samenstellingen en afleidingen, die vanuit taalkundig oogpunt magistraal is, door de vierde generatie redacteuren omstreeks 1940 opgegeven voor een taalkundig minder perfect maar aanzienlijk gebruikersvriendelijker systeem. Een ander punt dat ik betreur, is het uit 1976 daterende besluit om niet langer woorden uit de periode van na 1921 op te nemen. Dit is ook ingegeven door praktische overwegingen. Had men dit besluit niet genomen, dan was het Woordenboek waarschijnlijk nog altijd niet af geweest en daar had ik mij beslist nog meer aan geërgerd! Wat mij opviel bij het schrijven van mijn Handleiding bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) uit 1994, was dat er in het WNT veel drukfouten zijn blijven staan. In latere afleveringen is dat aantal sterk teruggebracht, omdat toen al het materiaal drie à vier keer werd bekeken voordat de definitieve versie naar de drukker ging. Ook aperte etymologische onjuistheden en onbeholpen definities zijn mij een doorn in het oog. Eigenlijk is het beste antwoord op uw vraag: aan elke fout die ik in het WNT tegenkom, erger ik me het meest.

Heeft het WNT verandering gebracht in de waardering voor de lexicografie?

Nee, het WNT is door de jaren heen altijd al bekend geweest als een belangrijkhulpmiddel voor filologen, historisch taalkundigen en historisch letterkundigen. Mensendie zich bezighouden met theoretische taalkunde, zullen niet zo snel naar het WNT grijpen.Er zijn wel veranderingen aan te duiden die erop wijzen dat er heden ten dage een grotere belangstelling bestaat voor lexicografie. Het tijdschrift Trefwoord bijvoorbeeld - en dat zeg ik niet om te slijmen - is een belangrijk platform voor diegenendie belangstellen in lexicografie. Deze aandacht komt zowel van personen die zichprofessioneel met woordenboeken inlaten als van liefhebbers. Tot mijn spijt zijn erslechts enkele hoogleraren die zich op het terrein van de lexicografie begeven, zoalsDirk Geeraerts en Henk Verkuyl. Dit is tekenend voor de tijd waarin we nu leven: er iseen grote belangstelling voor taal één voor specifieke talen als die van de kroeg, hetvoetbal, de adel enzovoort. Voor het merendeel komt die lexicografische belangstelling van liefhebbers, niet vanuit de universitaire wereld.

Bij het grote publiek is het WNT in de twintigste eeuw tamelijk onbekend gebleven. Door met name de pocketeditie, het WNT op cd-rom, uw Handleiding en Van Sterkenburgs Het Woordenboek der Nederlandsche Taal; Portret van een Taalmonument uit 1992 lijkt daar enige verandering in te zijn gekomen. Juicht u die verandering toe en wat kan het WNT voor de toekomstige gebruiker nog gaan betekenen?

Uiteraard juich ik die verandering toe: hoe meer mensen het WNT gaan gebruiken, deste beter het is. Ik vraag me overigens af of de redenen die u noemt, ertoe hebbenbijgedragen dat veel meer mensen het WNT zijn gaan gebruiken. Bij mij bestaat hetvermoeden dat velen van degenen die de pocketeditie of de cd-rom-versie van het Woordenboek hebben aangeschaft, dezelfde personen zijn die het WNT al raadpleegden, maar dat vanwege de prijs en/of het formaat van de delen nog niet aangeschaft hadden.Ik zou het leuk vinden als er meer mensen in het WNT zouden gaan grasduinen. De kans dat de spelling De Vries-Te Winkel een praktisch bezwaar is voor dehedendaagse gebruiker, lijkt mij vrij gering. Op den duur zal men wel het WNT moeten gaan herspellen, uniformeren e.d. Maar wat de toegankelijkheid van het Woordenboek nu wel zou kunnen belemmeren, is het archaïïsch taalgebruik van de vroegste generaties redacteuren. Er staan in het WNT interessante stukken voor een ieder die in zijn eigen taal belangstelt. Waarom heeft guur weer bijvoorbeeld dezelfde betekenis als onguur weer?Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het heel mooi om te lezen wat er onder een gilde-oswordt verstaan. Prachtig vind ik de afleiding van de uitdrukking in de bonen zijn. Jemoet wel heel immuun voor taal zijn, wil je dat niet aardig vinden.

U zei aan het begin van dit vraaggesprek dat een van uw voornaamste doelen hetAanvullingenproject was. Mogen we dit project betitelen als uw liefdesbaby, om maareens een modieuze term te gebruiken?

Nee, zeker niet. Hoewel ik natuurlijk zeer nauw betrokken ben bij het Aanvullingenproject, zou ik het niet willen bestempelen als 'mijn' project. Er waren al veel werkzaamheden verricht, voordat er sprake was van een concept versie van het project. Hierbij hebben leden van de aanvullingen commissie en andere leden van de redactie een belangrijke rol gespeeld.Het Aanvullingenproject is het resultaat van gezamenlijke inspanningen. Geenenkel project is uitsluitend toe te schrijven aan één man of vrouw. Zo vind ik hetbijvoorbeeld ook onzin om het WNT te zien als het woordenboek van Matthias de Vries.Wat ik wel als mijn verdienste beschouw is dat ik het Aanvullingenproject niet uit zijn voegen heb laten barsten, dat ik duidelijke grenzen heb getrokken. Ik heb eenstempel op het geheel kunnen drukken door van tevoren duidelijke afspraken te makenmet de medewerkers, wat heeft geleid tot een consistent en uniform geheel.Het mooie van dit project was dat we duidelijk de tering naar de nering hebbengezet. We wisten precies hoeveel tijd we hadden en wat we daarin moesten doen. De zes leden van de aanvullingen commissie hebben onafhankelijk van elkaar een zeeruitgebreide lijst met trefwoorden doorgenomen en voor zichzelf bepaald welke woordennaar hun oordeel wel en welke niet beschreven dienden te worden. Laagfrequente woorden vielen doorgaans buiten de boot. Wat de andere woorden betreft, als drie of vier redacteuren vóór opname waren, dan werd in het algemeen besloten het betreffende woord op te nemen. Daarbij is er zoveel mogelijk naar gestreefd het simplex en het complex bij elkaar te houden. Het was boeiend om in samenspraak met de andere leden van de aanvullingencommissie via deze selectieprocedure zo de nomenclatuurlijst van de aanvullingen vast te stellen. We hebben uit het omvangrijke materiaal dat bestemd wasvoor supplementdelen een selectie gemaakt van circa 30.000 trefwoorden. Als wij methet materiaal niets hadden gedaan, had het waarschijnlijk ergens liggen te verstoffen. Het Aanvullingenproject is echt een product van de vijfde generatie. Om terug te komen op de eerste vraag die u stelde: bij dit project overheerst duidelijk een gevoelvan trots.

Bij het INL starten na 1998 verschillende nieuwe projecten, waaronder het project 'WNT op peil' en het project WTEN, het Wetenschappelijk woordenboek van het Twintigste- en Eenentwintigste-eeuws Nederlands.* U gaat het laatste project leiden. Waarom heeft u daarvoor gekozen? Had het niet voor de hand gelegen dat u leiding zou geven aan het eerste project?

Ik had het gevoel dat ik iets volstrekt anders moest gaan doen. Voor mij maakte het in principe weinig uit of dat binnen of buiten de muren van het INL zou plaatsvinden; ikwilde mezelf 'verversen'. Het lijkt mij boeiend een wending te geven - indien dat mogelijk is - aan de gedachte dat de lexicografie altijd achter de feiten aanholt. Ik wil graag de woordenschat op de voet volgen. Naar mijn mening moet het INL in deze tijd staan en het is dan ook zaak dat er meer accent komt te liggen op de wetenschappelijke beschrijving van de eigentijdse taal. Om dat te bewerkstelligen zullen er (elektronische) taaldatabanken moeten komen waarin betrouwbare beschrijvingen worden opgenomen van het hedendaagse Nederlands. Het gaat erom de taalontwikkeling vast te leggen.

Is het WTEN een woordenboek dat nog in grafische vorm, als boek zal verschijnen?

We gaan in principe uit van een elektronische versie, maar ik sluit niet uit dat ereventueel een gedrukte versie van zal worden afgeleid. Voor velen is het boek nog altijdaantrekkelijker dan een gedigitaliseerde versie. Naslagwerken als woordenboeken zijn in veel gevallen handiger in boekvorm. Als u een krant leest en de betekenis van eenbepaald woord niet kent, dan zult u toch, om de betekenis te achterhalen, eerder eenwoordenboek uit de kast pakken dan uw computer aanzetten om een elektronisch woordenboek op te starten.Omdat het WTEN een nieuw project is waarbij vooraf duidelijke afspraken zullenmoeten worden gemaakt, is de kans op inconsistenties aanzienlijker geringer dan bij het WNT. Er zal een vaste terminologie gebruikt moeten worden en we zullen ernaarmoeten streven vergelijkbaar materiaal te verzamelen. Het WTEN moet multifunctioneelworden gemaakt. Zo moeten werkwoorden die voldoen aan bepaalde grammaticalepatronen systematisch bij elkaar geplaatst worden en zullen er vaste codes moetenworden gebruikt om allerlei taalkundige verschijnselen aan te geven. In eerste instantiezal het WTEN worden geschreven voor wetenschappelijke gebruikers. Het geheel zaleen database vormen waarbij aan ieder trefwoord labels worden gehangen, waarwetenschappers hun voordeel mee kunnen doen. In een afgeleide, gedrukte versie voor een groter publiek kunnen dergelijke labels onderdrukt worden. Het is mogelijk dat er in het jaar 2020 een gedrukte versie van het WTEN zal verschijnen, maar dat zullen we nog even moeten afwachten. Op dit moment houd ik alle mogelijkheden open...Na het interview praatten we nog even na en ons bleek al spoedig dat onze gesprekspartner niet erg tevreden was met zijn antwoord op de vraag wat nu precies de verschillen en overeenkomsten zijn tussen Matthias de Vries, de eerste hoofdredacteur, en Fons Moerdijk, de laatste hoofdredacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Bij nalezing van zijn antwoord moeten we hem gelijk geven: met de aangegeven verschillen ging het nog wel, maar aan de overeenkomsten kwam hij eigenlijk nauwelijks toe. Voor het WNT en meer in het algemeen voor de ontwikkeling van de lexicografie van het Nederlands, kunnen we rustig besluiten met: gelukkig maar.

[Lees hier het persbericht betreffende een bijzondere leerstoel lexicografie]

Noten

  1. Een selectie uit het Supplementmateriaal, dat men tot 1976 bleef verzamelen, wordt in de loop van 1999 gepubliceerd in twee of drie banden. De voorbereidingen voor het Aanvullingenproject startten al aan het einde van de jaren '80. [terug ]
  2. Vgl. Inleiding, p. lxv: 'Het publiek ziet alleen de aanhalingen, die wij mededeelen, maar denkt er veelal niet aan, dat zeker een driedubbel aantal uit de verzamelde uittreksels, na toetsing en keuring, door ons is weggelaten. Wij geven slechts datgene wat uit een grooteren voorraad met zorg is uitgezocht.' [terug ]
  3. Poëmen: voorbeeldzinnetjes die door de redacteur zelf verzonnen (of opgetekend) zijn. [terug ]
  4. Het antwoord op deze vraag is te vinden in WNT, V, 1314, s.v. guur: 'Een eerst uit het nieuwere Nederlandsch bekend bnw. met in hoofdzaak dezelfde beteekenis als onguur [...], waarom het dan ook hoogst waarschijnlijk is dat guur bij valsche gevolgtrekking uit onguur zal zijn afgeleid [...]. Het kan immers zeer wel zijn dat men in onguur allengs het tweede lid voor een woord van ongunstige beteekenis was gaan houden en daarom het ontkennende on- overtollig vond; het kan ook zijn dat men on- als versterkend voorv. [...] opvatte en dit dan in gevallen waar men niet emphatisch sprak ontbeerlijk achtte, zoodat guur dezelfde beteekenis had als, maar van minder kracht was dan onguur. Eene derde mogelijkheid is zeker, dat de sterke klemtoon op de tweede lettergreep in onguur eene geleidelijke afslijting van het voorvoegsel kan hebben ten gevolgde gehad, of deze afslijting, onder omstandigheden als zooeven genoemd, almede kan hebben in de hand gewerkt.' [terug ]
  5. Zie WNT, IV, 2373, s.v. gildos: 'Os, of in het algemeen rund, dat voor rekening van een gilde vetgemest, en op den gildemaaltijd gegeten werd, nadat het, met bloemen en linten opgeschikt, was omgeleid'. [terug ]
  6. Zie WNT, III, 444, s.v. boon (I), 7, i: 'De sterke geur van de in het voorjaar bloeiende bloemen der groote of Roomsche boonen heeft volgens het getuigenis van oudere en jongere schrijvers eene bedwelmende, ja verdwazende uitwerking: wie op of nabij een bloeiend boonenveld zich te slapen legt of te lang vertoeft wordt daardoor bevangen en duizelig en verward in het hoofd, of raakt, naar het oude volksgeloof, geheel aan 't malen.' [terug ]

* Het project dat ten tijde van dit interview nog de naam Wetenschappelijk woordenboek van het Twintigste- en Eenentwintigste-eeuws Nederlands (WTEN) droeg, heeft onlangs definitief en officieel de benaming Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW) gekregen. [terug]