iemand die telkens de restjes van de maaltijd van de vorige dag gebruikt om een nieuw gerecht te bereiden
Hoewel roken alom ontmoedigd wordt, kennen we allemaal nog wel het woord kettingroker. Dat is iemand die onophoudelijk rookt. Dat woord bestaat al een hele tijd, waarschijnlijk al vanaf het begin van de twintigste eeuw. Net als het bijbehorende werkwoord kettingroken. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) staan de woorden opgenoemd bij de metaforische betekenis van ketting ‘reeks van uit elkaar voortvloeiende handelingen, toestanden, situaties e.d.’ Het nieuwe woord kettingkoker is duidelijk gebaseerd op dit woord en werd bedacht door Volkskrant-lezer Jacq Zinken.

Zoals de kettingroker soms letterlijk de ene sigaret met de vorige aansteekt, vormt de kettingkoker een keten door zijn oude restjes in te zetten om iets nieuws te koken. In een ingezonden brief legt Zinken uit dat je namelijk veel meer met restjes kunt doen dan ze alleen opwarmen: “Sinds ik (na het overlijden van mijn vrouw) weer een eenpersoonshuishouden heb, ben ik nu een enthousiast kettingkoker. Met de restanten van de vorige dag maak ik vaak een geheel nieuwe maaltijd.” Hij is bovendien een soort upcycler, de kettingkoker, want de restjes van gisteren leveren vandaag vaak iets nog lekkerders op en doen pas echt een beroep op zijn kookfantasie, aldus Zinken.
Hoewel bij veel jongere generaties kookmoeheid zou overheersen en ontkoken (steeds minder zelf koken) trendy is, is restjes hergebruiken in opkomst. Dat zie je ook aan relatief nieuwe woorden als restjesdag, restjesdiner, restjeskoken, restjeskoning(in), restjesmaaltijd, restjesmenu, restjesrecept, restjesreceptie en restjesweek. Misschien is een restjesrestaurant een uitkomst voor deze ontkokers? Kettingkoker Jacq Zinken ziet wel wat in zo’n restaurant, en noemt kettingkoken ook “het nieuwe fine dining”.
Bron:
de Volkskrant, 12 april 2026 (alleen voor abonnees)

