Woorden voor Rembrandt

17de-eeuwse schilderstermen

Roland de Bonth en Dirk Geirnaert

Kan een doodeerlijke schilder toch een afzetter zijn en is een tronie alleen iets voor boeven? Welke kleur wordt er bedoeld met smalt en wat is een vispenseel? Naar aanleiding van het Rembrandtjaar 2019 brengen we hier een gelegenheids­woordenboekje met schilderstermen uit de 17de eeuw, van aanleggen tot zwaddering, woorden die Rembrandt ongetwijfeld allemaal kende en gebruikte. Rembrandt stierf in 1669, 63 jaar oud. Daarom herdenken we de schilder met een collectie van 63 termen, voor elk levensjaar één woord.

Om te laten zien hoe de woorden in de praktijk gebruikt werden hebben we bij elke term een of twee citaten toegevoegd uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), of rechtstreeks uit 17de-eeuwse schildershandleidingen. De complete bronnenlijst vindt u onderaan de pagina.

Download Woorden voor Rembrandt

aanleggen, op het paneel, doek of papier de eerste lijnen of kleuren aanbrengen van wat men wil afbeelden of inkleuren.

De kick-vorssen salmen met schoon groen aenleggen, en met swart besprenckelen, met masticot verdrijven dat het uyt den groen-geelen op den buyck kome, Brugge-Goeree 34 [1670].

achteruit, dat gedeelte van een afbeelding, een schilderij enz. dat het verst van de beschouwer lijkt af te liggen; achtergrond.

Marten van Cleef was een Discipel van Frans Floris, (...) makende veel aerdighe stucken op zijn selven, met oock eenighe, daer zijn broeder Hendrick de gronden oft achter-uyten heeft ghedaen, V. Mander 230v [1604].

Simon Frisius, portret van Hendrick van Cleve III. Bron: Wikimedia

afzetten, er door het aanbrengen van kleuren, lijnen, arceringen e.d. voor zorgen dat de verschillende onderdelen van een afbeelding goed uitkomen; vervolgens ook: (handschriften) verluchten, (prenten en etsen) inkleuren of versieren. Vandaar ook: afzetter en afzetting.

Verlichterie-kunde (…) nu tot nut der liefhebbers (…) met noodige aenmerkingh vermeerderd; dienende om neffens het illumineeren ofte afsetten, oock het coloreeren en schilderen met water-verwen te oeffenen, Brugge-Goeree, titelblad [1670].

Vande swarte verwen, haer bereydingh ende gebruyck. Het lamp-swart salmen met gom-water temperen, men kan het oock met lijm-water warm zijnde, besigen, dat best voor d’afsetters is, Brugge-Goeree 28 [1670].

De contrefeytinge ende affsettinge van haere persoonen, in Leidsch Jb. 1911, 105 [1626].

alberduurtje, benaming voor een mooi schilderijtje of voor een mooie kleine prent; vervolgens ook voor alles wat in zijn soort een kunststukje of een juweeltje is en in schoonheid uitstijgt boven de rest. Het woord is afgeleid van Albrecht (Albert) Dürer, de naam van de Duitse schilder, tekenaar en etser (1471-1528), van wie het werk al tijdens zijn leven zeer populair en gezocht was.

't Is waer, een vrouw is wel een Alberduertje, wanneer een man is droncken; maer die lieffelycke loncken die dueren qualijck een uyrtje, V. Overbeke 180 [1678].

Albrecht Dürer, zelfportret. Bron: Wikimedia

azuren, blauw kleuren.

Laet ons nu de locht van wolcken ontlijven, en somtijts gheheel suyverlijck verstalten, en op't schoonst over asuyren oft smalten, V. Mander 35v [1604].

beenzwart, zwarte pigmentsoort, bereid op basis van verbrande beenderen.

Men kan daer mede (d.i. met lampzwart) alle bonetten, hoeden, kleederen en (…) sijde sleuyers aen leggen, diepen ’t met dit selve swart, en hoogen ’t met wit en swart. Been-swart heeft al het selve gebruyck, moet zeer hard ghewreven en met redelijcke gomme ghetempert worden, Witgeest, Ton. Konsten 113 [1679].

bijwerk, collectieve aanduiding voor alles in een schilderij, tekening, ets enz. dat zich bevindt rondom het eigenlijke onderwerp van de afbeelding. Zie ook omstand.

Ik zal gaerne toestaen, dat een meester in groote werken hulp van anderen neeme, die in bywerk geoeffent zijn: maer die met recht den naem van Meester in Historyen draegen wil, moet ook raet weten, als 't nood doet, tot bywerk, V. Hoogstraten 72-73 [1678].

blozeren, een ‘blosje’ aanbrengen op, een glans geven aan.

Met schoone lack salmen (...) de lippen, wangen, kinne, knyen, en teenen blooseeren, en schaduwen voorts ’t naeckt met gevreven smee-koolswart, Brugge-Goeree 24 [1670].

Komende tot de jonge mannen: daertoe sal men nemen loot-wit, vermiljoen en een weynig lack, dat hen wat bruynder als de jonge vrouwen afsteeckt; en, na de oudtheyt der menschen, men sal die op de voorsz. plaetsen blozeeren met vermiljoen en wat lack, Witgeest, Ton. Konsten 127 [1679].

boots, geschilderde, getekende of gebeeldhouwde figuur. Vandaar: bootsen, schetsen, afbeelden; ook: een beeld of bas-reliëf enz. in een weke stof vormen, bewerken of modelleren (boetseren).

Twee doecken (...) wesende een Boeren Kermis, en Bruyloft, daer veel drollige bootsen in zijn te sien, V. Mander 233v [1604].

Een beeld, gebootst van maeghdewas, Vondel 3, 824 [1640].

Al dat leeven, soet en eêl, te bootsen met een braaf penceel, Six v. Chandelier 353 [1657].

Pieter Bruegel de Oudere, De Boerenbruiloft. Bron: Wikimedia

brazielverf, rode verf met als hoofdbestanddeel geraspt brazielhout, een donkerrode of bruingele hardhoutsoort, afkomstig van een in Indië groeiende boom, waarvan de Latijnse naam al in de middeleeuwen brasilium luidde. De houtsoortnaam heeft in oorsprong niets met Brazilië te maken: het is integendeel Brazilië dat zijn naam te danken heeft aan deze hardhoutvariant.

Men kan schoone verwen uyt de voornoemde brezylje verwe maecken (...): neemt brezylje verwe, tempertse met loot-wit en pot-asse-water, soo hebt ghy een schoon violet ofte purper, Brugge-Goeree 25 [1670].

breken, (kleuren) in de juiste verhouding mengen tot een nieuwe kleur; (kleuren) temperen. Vandaar: breking.

Men moet in de teykenkonst geduerig zien op te klimmen, en in 't breeken der verwen, in 't koloreeren, de natuer zien nae te komen, V. Hoogstraten 226 [1678].

De breekingen van verscheyde koleuren maeken een aengenaeme harmony, V. Hoogstraten 224 [1678].

buskool, zuivere soort houtskool, bereid door gloeiing in gesloten ijzeren bussen. Niet in WNT.

Ô schilderjeugt! die moed in't hart draegt, plak vry grijswitte vellen papier aen een, (...) en strijk'er een grond over, leg dan welbeproefde lange pennen buskool een uur of twee in lijnoly, en strax afgedroogt, zoo teyken uwe naekten (...) leevensgroot na’t leeven, V. Hoogstraten 32 [1678].

Dat men tot de eerste schets en stellinge van sijn teyckeninge, de bus-kool besight (...) aengesien dat men al 't geen daer mede gestelt is, en niet na (...) behooren uyt valt, 'tselve veelmael kan uytwissen, en andermael herdoen, Witgeest, Ton. Konsten 154 [1679].

carton, een op stevig papier of op karton getekend ontwerp voor een schilderij, beeldhouwwerk enz.

Italianen maken cartoenen, dat zijn papieren soo groot als t'werck, net gheteyckent, dat sy dan doortrecken, V. Mander 47r [1604].

Men segt dat (...) terwijlen Pierijn (een Florentijns schilder) van langer handt zijnen carton tot dese Schipbraeck maeckte, (...) dat Ieronimo (de uitvoerende schilder) seyde al murmurerende, "wat carton oft geenen carton, ick hebbe de const op de punt van t'pinceel," V. Mander 141r [1604].

coloreren, allerlei kleurschakeringen en -nuances aanbrengen op afgebeelde figuren, dieren, planten en voorwerpen. Vandaar ook: coloreerder, colorering.

Van buyten comen twee groote sittende beelden, wesende eenen Petrus en Paulus, op elcke deur eenen, wesende (…) fraeyer gheschildert als het werck van binnen: want het alles beter is ghecoloreert, en vloeyender gedaen, V. Mander 213 b [1604].

De teykening wort door de natuerlijke koloreeringe, en de koloreeringe door de zekere en maetschiklijke teykening tot volkomentheit gebracht, V. Hoogstraten 226 [1678].

Christoffel Swarts (…) is gheweest een seer uytnemende schilder, en coloreerder, ghelijck als seer groote heerlijcke wercken aldaer tot Munchen in den kercken ghetuyghen, V. Mander 258r [1604].

Christoph Schwarz, Engelsturz. Bron: Wikimedia

crayon, tekenstift waarvan het hoofdbestanddeel krijt is, doorgaans zwart, maar ook in andere kleuren; ook: de kleurstof waaruit zulk een stift bestaat.

De stof van de crayons is ontrent 3 deelen van seecker wit, datse hier Spaens wit of witsel hieten, daer men oock de mueren me wit, Chr. Huygens, Œuvres 4, 370 [1663].

Gy moet de waerheit in uw werk brengen (...) en hier toe zijn de kryons van veel soorten van koleuren zeer dienstich; deeze worden van pijpaerde, een weynich gomwater, en met zoodanige enkelde of vermengde verwen, als gy begeert, gekneet, plat gedrukt, en noch week, in vierkante lange pennen gesneeden, en gedroogt, V. Hoogstraten 31 [1678].

Vreest gy dat uwe teykeningen, met zwart en wit, of ander kryon gemaekt, mochten afslijten, zoo berey een vierkanten bak met water (...) en gom dragant (...), hier zult gy uwe teykeningen deurhalen, doch zoo, dat het kryon door't insteeken niet afspoele, V. Hoogstraten 32 [1678].

dag, lichte partij in een schilderij, tekening, ets of gravure. Ook wel licht genoemd en tegenovergesteld aan schaduw (zie die woorden). Vandaar ook: dagen, ‘belichten’ en daarbij weer daging, ‘belicht onderdeel, lichte partij, dag’.

Men schaduwt die dinghen (met blauw afgebeelde zaken) met de selve Indy-blaeuw, en wat smalt daer onder, en wort gehooght met wit en blaeuw, oock wel op de snelste (d.i. levendigst weergegeven) dagen met wit alleen, Brugge-Goeree 8 [1670].

Dat de voorschreven dinghen u leeren, hoe ghy graeuw, swart, vael, ende andere verwen leggen, schaduwen en dagen sult, Brugge-Goeree 39 [1670].

Eenige beginnen hare teykeningen (...) met alles te gelijk in't geheel te dagen en te schaduwen, V. Hoogstraten 29 [1678].

Dat men de eerste (de moord op Caesar) met een wreed en hard licht moet daagen, en de tweede (het huwelijk van Antiochus) met een lieffelyke, vermits men weet dat de lichten of dagingen mede haer byzondere hoedanigheid en eigenschap hebben, De Lairesse 27 [1712].

diepen, door een donkerder tint bepaalde onderdelen in een schilderij, een tekening, ets of gravure a.h.w. doen terugwijken. Vandaar ook: diepsel, 'donkere tint waarmee in een tekening of schilderij partijen in de achtergrond of in de schaduw afgebeeld worden; ook de naam voor die donkere partijen zelf.' Vergelijk ook (op)hoogen en hoogsel.

Te teyckenen op papier dat grondt heeft, om hoogen en diepen is seer voorderlijck, V. Mander 9r [1604].

Wilt niet ghedooghen (dat) hooghsel en diepsel malcander ancleeven, wilt grondt tusschen beyden vry plaetse gheven, V. Mander 9r [1604].

Bruyn oocker (…) is bequaem om alle stelen, tacken van boomen, en veelderley houtwerck aen te leggen; men mach dit met roet uyt de schoorsteen schaduwen, en de diepsels met roet en swart, Brugge-Goeree 26 [1670].

Willem Goeree, Verlichterie-kunde (1670). Bron: Internet Archive

doorzichtkunde, de kunst om in een plat vlak diepte en ruimte op te roepen; perspectief(leer).

Ô schilderjeugt,’t is tijdt dat gy de deurzigtkunde by der hand neemt, om in alderley verkleyningen en verkortingen zeeker te gaen, en opdat gy, door de onfeylbaerheyt van deeze konst verligt, de ondieptens der doolingen, daer zooveel waenwijze schilders schipbreuk lijden, zeeker moogt deurzeylen, V. Hoogstraten 273 [1678].

dozijnwerker, kunstenaar of ambachtsman die slechts middelmatig werk aflevert; ook: ambachtsman die seriewerk produceert.

Syn stucken (die van een Griekse schilder) waren meer doorwrocht als ander van den voorgaenden. Hy was in alles uytnemende, en (…) en was gheen dosijnwercker, V. Mander 73v [1604].

d’Afsetters, veel min de dozijnwerckers, die de verwen in menighte moeten ghebruycken, en hebben dese dingen (d.i. stukjes glas om kleine hoeveelheden verf op te mengen) niet van nooden, maer konnen die uyt hare backjes en schulpen wel verarbeyden, Brugge-Goeree 5 [1670].

drakenbloed, donkerrode harssoort afkomstig van de drakenbloedboom (Dracaena draco), o.a. veel gebruikt als kleurstof.

Roode vernis. 11. Neemt de beste tranen van drakenbloed, smelt die in dit vernis, die boven no 10 (als residu) in ’t sakjen gebleven is, en hier [mede] moet de stok best[r]eken werden, Witgeest, Tover-boek 47 [1684].

Om te schildpadden en te verlacken. (…). Gebruijk drakebloed en zwartsel. Met deze vernis kund gij alle kleuren maken, mitsdat ge enz., Eikelenberg 675 [vóór 1700].

eiverf, verfsoort waarbij pigment met eiwit vermengd wordt om de houdbaarheid te vergroten. Vergelijk ook lijmverf.

Hy (een Italiaanse schilder) maecte noch eenige tafelen van eyverwe, seggende dat gedueriger werck te wesen als olyverwe, V. Mander 143r [1604].

grauw, grauwtje, (kleine) schildering, uitgevoerd in verschillende tinten grijs; grisaille.

Fredericus Zuccaro te Room wesende, dede een (...) ghevel in't nat, niet te wijt van Campo Martio, daer veel aerdicheyt in te sien is van historikens, en beeldekens, van verwe, en verscheyden graeuwkens, oft temperinghen, V. Mander 193r [1604].

Andrea del Sarto, Battesimo della gente. Bron: Wikimedia

halfverf, halftint, tussentint tussen licht en donker; halfschaduw. Ook: mezzotint of tussenkleur. Niet in WNT. Vandaar: halfvervig, met mezzotinten geschilderd.

Mizza tinte is den grouwen gront, oft half verwe, V. Mander 9r [1604].

Nu comen d'Italy mezza tinten in u soo halfverwighe soete graeuwen,, die't achter allencx bedommelt verflaeuwen, V. Mander 18v [1604].

Indien iemant een (…) tusschekleur (of mezetinte) na den eysch zijns werks zoekt, zoo is’t hem van noode, dat hy de natuer van de donkere en lichte verwen kent om de waerachtige breekinge te voorzien, V. Hoogstraten 220 [1678].

hel, schilderij of tekening waarop de hel afgebeeld staat. Deze metonymische betekenisovergang (de naam van het afgebeelde wordt de naam voor een bepaald type van schilderijen of tekeningen) is zeer gewoon; hieronder volgen als andere voorbeelden nog termen als landschap, stil weer(tje) en zee(tje).

Noch is van hem (d.i. van Jeroen Bosch) op de Wael een helle, daer de oude Vaders verlost worden, V. Mander 216v [1604].

Een landtschap, wesende een West-Indien, met veel naeckt volck, met een bootsighe clip en vreemt gebouw van huysen en hutten, V. Mander 150v [1604].

Een stil weertge met jachtgens, in Bredius, Künstler-Inventare 1, 335 [1674].

Een zeetje van den ouden Vroom (d.i. Hendrick Cornelisz Vroom, een Haarlemse schilder), f. 5,- , in Oud-Holland 52, 281a [1672].

Hendrick Cornelisz Vroom, Gezicht op Hoorn. Bron: Wikimedia

hogen, (een onderdeel in) een schilderij of een tekening sterker doen uitkomen door het opzetten van lichte strepen of toetsen; door het aanbrengen van licht enz. verlevendigen. Ook: ophogen. Vandaar ook: hoogsel, ‘benaming voor de heldere of belichte partijen in een afbeelding, of voor de middelen waarmee de kunstenaar deze onderdelen beter doet uitkomen’. Vergelijk ook diepen en diepsel.

(...) de slechticheyt der oude meesters, die soo veel wetenschap niet en hadden hun dinghen met hooghen en diepen te doen verheffen, maer datse slechts hun omtrekken met eenich sap oft ander verwe van binnen vervulden, V. Mander 63r [1604].

Bruyn oocker (…) is bequaem om alle stelen, tacken van boomen, en veelderley houtwerck aen te leggen; men mach dit met roet uyt de schoorsteen schaduwen, en de diepsels met roet en swart: en met oocker en wit hoogen, Brugge-Goeree 26 [1670].

U claerste hooghsel en u bruynste diepsel, V. Mander 48v [1604].

Ik meyne hier niet, datmen geverfde kleederen of iets dat van natueren bruin is, noch zelfs het blanke naekt, met witten of mastekotten moet ophoogen, V. Hoogstraten 268 [1678].

In 't ophoogen der wolken, gebruikt men dezelve koleur van de schitteringen naar evenreedenheid van de deelen des logts, Beurs 71 [1692].

ivoorzwart, zwarte verfsoort, verkregen door het restant van verbrand ivoor(afval) te mengen met olie. Vooral het walruszwart, verkregen op basis van verkoold afval van walrustanden, was een veel gebruikte variëteit.

(Men) zegt, dat het yvoir- of walruszwart van Apelles gevonden is, V. Hoogstraten 221 [1678].

konterfeiten, afbeelden; dikwijls ook: portretteren. Vandaar ook: konterfeiter, konterfeiting en konterfeitsel.

Een kaart, waar in gekonterfeyt was de boom van het geheele geslacht van me Juffrou de Eer, Coster 467 [1619].

Een Fransman, die portraiten in ivoir maeckte en voorlede dynsd. de Con. oock soo geconterfeit had, C. Huygens Jr., Journ. 1, 247 [1690].

Een schilder, genaemt Rylingh, een ordelijck goedt conterfeyter, C. Huygens Jr., Journ. 1, 71 [1689].

Sy (hebben) den voornoemde Ver Schooten behandicht (...) de onderteyckeningen der voorscreven hooftofficieren, daerbij sy de contrefeytinge ende affsettinge van haere persoonen meede hebben ingewillicht, in Leidsch Jb. 1911, 105 [1626].

Dat ick iterativelick ten huyse van den requirant quam, om hem aen te manen (...) dat hy myn conterfeytsel (...) wilde ten effecte brengen en affschilderen, in Oud-Holland 57, 168 [1678].

Willem Beurs, De groote waereld in ’t kleen geschildert (1692). Bron: Wikimedia

krayon, kryon, zie bij crayon.

lampzwart, zwarte pigmentsoort, bereid op basis van lamproet.

Na de oudtheyt der menschen (…) sal (men) die op de voorsz. plaetsen blozeeren met vermiljoen en wat lack, en diepen ’t met wat lamp-swart en bruyn oker ondereen, Witgeest, Ton. Konsten 127 [1679].

landschap, zie bij hel.

lakseren, bewerken met doorschijnende lak om de kleuren (van schilderwerk) te verlevendigen; lakken, vernissen. Vandaar ook: laksering.

Dit Spaens groen (…) wert inde oly-verwen daermen ’t Spaens groen om sijn fenijnigheydt niet en besicht, gebruyckt om te lackseeren, Brugge-Goeree 19 [1670].

Droog zijnde begeerenze (bepaalde geschilderde bloemen) de zelve laxeringe en opglansinge van de ranunculen, Beurs 38 [1692].

lazuur, helderblauwe verf.

Wonder dunkt het my, dat d' aeloude schilders geen blaeuw zouden gehad hebben, als alleen 't geen uit hun wit en zwart gemengt wiert, daer onzen Jan van Eik (...) zoo schoonen lazuer tot zijn wil had, dat toen Coxie zeker zijn stuk kopieerde daer een blaeuwen mantel van een Mariebeeld in was, hy in 't zelve kleet 32 dukaten aen lazuer verschilderde, V. Hoogstraten 221 [1678].

Jan van Eyck, Het Lam Gods. Bron: Wikimedia

licht, lichte partij in een schilderij, tekening, ets of gravure. Ook wel dag genoemd en tegenovergesteld aan schaduw (zie ook die woorden).

Eenige beginnen hare Teykeningen (...) op gegront papier, bootsende dezelve, eerze eenige omtrekken aenwijzen, met de grootste lichten, V. Hoogstraten 29 [1678].

Veel gehaspel van armen en beenen, als ook van lichten en schaduwen, moet vermijd worden. Maer van schoone lichten en grootse schaduwen wel op haere plaets te schikken wort op een ander aengewezen, V. Hoogstraten 190 [1678].

lijmverf, verfsoort samengesteld uit dierlijke lijm (beender- of huidenlijm) en pigment.

Op ’t panneel legtmen eerst een grond met een flaauw lijmverwtje met krijtwit gemengt, om de nerf van ’t hout te dekken, Beurs 19 [1692].

loodwit, wit pigment, gemaakt op basis van een verbinding van koolzuur, loodoxide en loodoxidehydraat; vroeger zeer frequent gebruikt, maar nu nauwelijks meer vanwege de hoge giftigheid.

Tot de doode mannen neemdmen meest loot-wit en bruyn oker, weinig swart en wat lak daar onder, na datmenze bleek, blank, geel of bruyn wil hebben, Goeree 55 [1682].

maatschikkelijkheid, ideale verhouding tussen de delen die samen een groter geheel vormen. Niet in WNT.

Eermen tot het meeten van een vrouwenbeelt komt, zoo is eerst de vraeg, wat maetschiklijkheit men tusschen de lengte van een man en een wijf houden zal? V. Hoogstraten 60 [1678].

Samuel van Hoogstraeten, Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst (1678). Bron: Wikimedia

malen, tekenen, afbeelden, schilderen enz. Vandaar ook: maler, schilder.

Ghemaalde bloemen ruyken niet, Spieghel 268 [1600-1610].

Pinceel eens maelers, Vondel 2, 540 [1626].

mastikot, poedervormig loodoxide, vroeger als gele verfstof in gebruik. Het woord gaat terug op het Italiaans mazzacotto of Spaans mazacote, ‘soda’. Andere veel gebruikte gele verfstoffen waren o.m. rus- of ruisgeel en schijt- of schietgeel (zie die woorden).

Wy hebben nu wel al vier verscheyden ghelen boven den oker (...): masticot, schiet-gheel, en twee oprementen, V. Mander 53r [1604].

De kick-vorssen salmen met schoon groen aenleggen, en met swart besprenckelen, met masticot verdrijven dat het uyt den groen-geelen op den buyck kome, Brugge-Goeree 34 [1670].

’t Geel, dat wy gebruiken, is lichten en bruinen Roomschen oker, mastekotten en schietgeelen, V. Hoogstraten 221 [1678].

mezzotint, zie bij halfverf.

middelverf, kleur, ontstaan door het vermengen van twee andere kleuren. Niet in WNT.

De vermengelingen van twee verwen, indienze elkander bevrient zijn, brengen geen andere middelverwe uit, als die na beyden aert, als groen uit geel en blaeuw, purper uit blaeuw en root, V. Hoogstraten 224 [1678].

ondertekening, de tekening of de schets die op de grondlaag van een schilderij wordt aangebracht vooraleer men met het schilderen van het werk begint. Niet in WNT.

Sy (hebben) den voornoemde Ver Schooten behandicht (…) de onderteyckeningen der voorscreven hooftofficieren, daerbij sy de contrefeytinge ende affsettinge van haere persoonen meede hebben ingewillicht ende toegestaen, in Leidsch Jb. 1911, 105 [1626].

Joris van Schooten, Officieren van het oranje-wit-groene vendel van Kapitein Harman van Brosterhuyzen, 1626. Collection Museum De lakenhal. Bron: lakenhal.nl

omstand, collectieve aanduiding voor alles in een schilderij, tekening, ets enz. dat zich bevindt rondom het eigenlijke onderwerp van de afbeelding. Vandaar ook: omstandig 'tot de omstand behorend, deel uitmakend van de omgeving; behorend om en bij een zaak of persoon die het eigenlijke middelpunt is'. Zie ook bijwerk.

Dese stucken heb ick ghesien (...) t'Amsterdam, seer aerdich gheschildert: de uytbeeldingen deser deughden en ondeughden wonder gheestigh en versierlijck wesende, van allen omstandt en byvoeginge, na den aerdt en wesen elcker Personagie, V. Mander 275v [1604].

Datse (...) aengrijpen voor eerst het besonderste deel der consten, te weten, een menschlijck beeldt te leeren stellen, oock eyndlijck alle ander omstandighe deelen t'omhelsen, V. Mander 5v [1604].

De derde waerneming, in 't uitbeelden van een Historie, is d' omstandige geleegentheyt oprecht te vertoonen: als, Op wat tijdt? In de lente, zomer, herfst, winter? Quaet, of goet weer? V. Hoogstraten 365 [1678].

operment, delfstof van citroen- of oranjegele kleur, bestaande uit een verbinding van arsenicum en zwavel; ook als gele verfstof gebruikt: koningsgeel. Het woord is een verbastering van Latijns auripigmentum (letterlijk: ‘pigment van goud’).

Gout-bloemen leytmen aen met geel oprement en wat meny, ofte met rusgeel, Brugge-Goeree 54 [1670].

't Geel, dat wy gebruiken, is lichten en bruinen Roomschen oker. Mastekotten en schietgeelen. Men kan het opriment in schoone kleederen ook somtijts te pas brengen, V. Hoogstraten 220 [1678].

ophogen, zie bij hogen.

ordineren, kleuren of onderdelen in een tekening, schilderij enz. ordenen, rangschikken op de vereiste manier.

Mathijs Kock (...) was wonder versierigh en vondigh in't ordineren oft by een voegen, V. Mander 232r [1604].

Al wat de konst stuk voor stuk vertoont, is een nabootsing van natuerlijke dingen, maer het by een schikken en ordineeren komt uit den geest des konstenaers hervoor, die de deelen, die voorgegeven zijn, eerst in zijne inbeelding verwardelijk bevat, tot dat hyze tot een geheel vormt, en zoo te zamen schikt, datze als een beelt maken, V. Hoogstraten 176 [1678].

Matthys Cock, Landschap met kasteel boven een haven. Bron: Wikimedia

penseelmaker, ambachtsman die beroepsmatig o.m. penselen maakt.

Wesende besich met t'conterfeytsel van d'heer M. nae het nette met den vingheren te schilderen, quam den pinceel-maker (...) welcken hem wenschte aen elcken vinger een exter-oogh: want hy was alleen die door sulck gebruyck te cort comen soude, V. Mander 278r [1604].

primuren, met plamuur bestrijken, zodat alle oneffenheden aangevuld worden en men een volkomen effen en glad oppervlak verkrijgt. Vandaar ook: primuursel, ‘dunne plamuurlaag, aangebracht om een zo effen mogelijke, nog enigszins doorschijnende ondergrond te verkrijgen voor de verflaag bij het afschilderen’.

Doe nu Lionardo (Da Vinci) in de handen quam desen schildt, dien hy sagh te wesen scheel en oneffen (...), gaf hem eenen draeyer, die maeckten heel glat en aerdigh. Lionardo primuerde hem, en maeckte hem toe op zijn maniere, en bedocht, hoe hy daer op yet mocht schilderen, dat enz., V. Mander 112r [1604].

Hy (Jeroen Bosch) hadde oock als meer ander oude Meesters de maniere, zijn dingen te teeckenen en trecken op het wit der penneelen, en daer over een doorschijnigh carnatiachtigh primuersel te legghen, V. Mander 216v [1604].

Want vooreerst hebben zy (…) een teykening, zoo groot als het werk zoude zijn, gemaekt, welke zy dan op het eerste wit haeres paneels sponsten, en zuiverlijk trokken en schaduwden, waer over zy dan een vleesverwig primuursel leyden, 't welk het werk, byna als half gedaen, deede doorschijnen, en hier op voldeden zy dan hare stukken ten eersten op, V. Hoogstraten 339 [1678].

retoqueren, onvolkomenheden corrigeren (in een schilderij), (een schilderij) bijwerken, retoucheren.

Acht iaren pijnichde hem Michel Agnolo dit werck te voldoen, het welck van verre en van by hem wel wil laten sien, sonder eenighen welstant te verliesen, en is geweest gheretorqueert, en met artseringen in de diepselen seer net voldaen, V. Mander 170v [1604].

Een stil leggent leven van Rembrant geretukeert. (...) Een vanitas van Rembrant, geretukeert. Een dito vanden selven met een scepter, geretukeert, in Urkunden über Rembrandt 1, 191 [1656].

Michelangelo Buonarroti, Het laatste oordeel. Bron: Wikimedia

rusgeel, geelroodachtig operment met veel zwavel, vroeger veel gebruikt als gele verfstof. Vormvariant: ruisgeel. Het woord gaat terug op het du. Rausch- of Roβgelb, waarvan het eerste deel verbasterd is uit Italiaans rosso, ‘rood’.

Tot de geelen africaan zultge wel doen, indienge in ’t zonneligt enkel rusgeel neemt, en tot de schaduwe rusgeel met bruine schijtgeel en lak gebruikt, Beurs 34 [1692].

schaduw, donkere partij in een schilderij, tekening, ets of gravure. Tegenovergesteld aan dag (zie ook dat woord). Vandaar ook schaduwen, ‘schaduw aanbrengen aan of in (een onderdeel van) een schilderij, tekening enz.’. Voor de voorbeelden van dit werkwoord, zie bij dag.

Aenleggen is, soo wanneermen eenigh dingh, met eenerhande coleur (…) na sijn believen vlack en eenparigh aenleyt en simpel overdeckt, sonder eenighe schaduwe of dagh waer te nemen, Brugge-Goeree 39 [1670].

't Zy gy met de schaduwen begint of eindicht, gy zultze by u zelfs in mindere en meerdere gaen verdeelen, en elke, na haer behoorlijke bruinte, op een vlakke manier aenwijzen, V. Hoogstraten 29 [1678].

schijtgeel, bruingele kleur of verfstof. Vormvariant: schietgeel. Hierbij weer de vorming schijtgeelvervig, ‘schijtgeelkleurig’.

Licht masticot mach nevens t'groen wel sitten, assche-wit laet hem met schiet-geel wel schaeuwen, V. Mander 44r [1604].

Tot de geelen africaan zultge wel doen, indienge in ’t zonneligt enkel rusgeel neemt, en tot de schaduwe rusgeel met bruine schijtgeel en lak gebruikt, Beurs 34 [1692].

By ons zijn de lakken in gebruik, niet alleen de paersse, maer ook de blaeuwe, groene, en bruine, of schietgeelverwige, V. Hoogstraten 222 [1678].

Karel van Mander, Het Schilder-boeck (1604). Bron: Adams Amsterdam Auctions

schilderij, de handeling van schilderen; het schilderen; schilderkunst.

De const der schildery, V. Mander 94r [1604].

Van Plutarchus heeft elck nu in den mont dat schildery stomme poëzy, de poëzy spreeckende schildery is, Vondel 6, 388 [1653].

Hy (ging) by een schilder, en beschreef aen hem het aengezicht en de gedaente, zoo goet als hy kon, ten eynde dat hy hem die in schildery zoude vertoonen, V. Hoogstraten 47 [1678].

schildpadden, een lijst of ander houtwerk op een zodanige wijze met donkere lak bewerken, dat daarop het patroon van een schildpaddenschild ontstaat. Vandaar ook verschildpadden (niet in WNT).

Om te schildpadden en te verlacken. (…) . Gebruijk drakebloed en zwartsel. Met deze vernis kund gij alle kleuren maken, mitsdat ge die in een doekge doet en daar u vernis maar in giet, Nijptet dan door (…) en schildert ermede, Eikelenberg 675 [vóór 1700].

Wanneer ghy verschildpadden wilt, moet ghy loot-wit in uw lijm doen, met een weynigh geel van curcuma, ghedrooght zijnde, kunt dan met Keulse aerde daer sulcke figuuren mede maecken als ghy begeert, Witgeest, Tover-boek 15 [1684].

schouwstuk, zie bij stuk.

sgraffito, manier van schilderen waarbij men met een puntig voorwerp in een nog natte kalk- of verflaag op een muur omtrekken tekent of arceringen maakt. Vervolgens ook: schildering die op die manier tot stand gekomen is (mv: sgraffiti).

In Borgo novo maeckten sy eenen ghevel van sgraffito, dat is een maniere op den natten muer te kretsen met een ijseren punt, oft yet anders, daer sy hun beelden soo omtrecken en artseren, V. Mander 129r [1604].

Deeze wijze van op den muur (in een aangebrachte kalklaag) te schilderen of kratssen, wort gelooft dat van Andries di Cosimo Florentijn eerst gevonden is; en wort sgraffiti geheeten, V. Hoogstraten 336 [1678].

Andrea di Cosimo Feltrini, zolderschildering in Cappella dei papi in santa Maria Novella. Bron: Wikimedia

smalt, blauwe kleurstof, bestaande uit fijngewreven kobaltsilicaat (ontstaan door een kobaltverbinding met glas te smelten). Vandaar ook: smalten, met smalt schilderen. Het woord is ontleend aan Italiaans smalto ‘kobaltglas en daaruit verkregen blauwe kleurstof’; dit smalto gaat terug op Latijn smaltum, waaruit via het Oudfrans esmal het Nieuwfranse woord émail (en het Nederlandse email) ontstaan is.

Wy hebben tot ons blaeuw, Engelsche, Duitsche, en Haerlemse assen, smalten, blaeuwe lakken, Indigo, en den onwaerdeerlijken ultramarijn, V. Hoogstraten 221 [1678].

Laet ons nu de Locht van wolcken ontlijven, En somtijts gheheel suyverlijck verstalten, En op't schoonst over asuyren oft smalten, V. Mander 35v [1604].

sprong, het verspringen van onderdelen in een schilderij of tekening in de richting van voor- of achtergrond.

Neem een aardige sprong waer, dat is een welkunstige, maer in schijn ongemaekte plaetsing uwer beelden: op dat menze niet, by wijze van spreeken, al te gelyk (...) de hoofden kan afslaan, V. Hoogstraten 190 [1678].

stil weer(tje), zie bij hel.

stilliggend of stilstaand leven, stilleven.

Een stil leggent leven van Rembrant, in Leidsch Jb. 1906, 122 [1656].

Evert van Aelst (...) is geweest een seer uytnemend schilder in allerhande soort van stil-staende leven, insonderheyt fruyt, V. Bleyswijck, Beschr. v. Delft 855 [1667].

stuk, schilderij, schilderstuk. Hierbij vormingen als zeestuk, ‘schilderij dat een zeegezicht voorstelt, zeeschap, marine’, schouwstuk, ‘schilderstuk ter decoratie van een schoorsteenmantel’ en zolderstuk, ‘plafondschildering’.

Van dit jaer 1604. is oock van hem (van de Leidse schilder Van Veen) gecomen een groot stuck, wesende een Bacchus feest, oft triumph, V. Mander 295r [1604].

Uytnemende Italiaensche stucken van Titian, C. Huygens Jr., Journ. 3, 98 [1649].

Twee zeestuckyens door Berestraaten gedaen, in Amstelodamum 56, 252 [1663].

Het schouwstuck in Sijn. Hocchts. slaepkamer mitsg. het solderstuck in Sijn. Hochhts. kabinet, Oudh. Jaarb. 1938, 90 b [1680].

Al ware het dat een zolderstuk alleen uit wit en zwart, dag en schaduwe, bestond, het zou daarom geen minder welstand hebben, noch minder achting waardig zyn, De Lairesse, Schilderb. 2, 157 [ed. 1712].

Gerard de Lairesse, Middendeel van een zolderstuk met Diana en haar gezellinnen. Bron: Wikimedia

troeping, harmonische samenschikking van figuren, b.v. op een schilderij.

De beste stukken van Rubens, en zijn navolger Jordaens, hebben een by zonder welstandige sprong en troeping. Deeze konst, van behaeglijke ordre en konstige schikking, dunkt my te recht te zijn een muzyk of maetzang, die (…) de dingen ook grootelijx vordert, en met welstant vereert, V. Hoogstraten 191 [1678].

tronie, gelaat zoals weergegeven op een schilderstuk, tekening enz.. Vervolgens ook: geschilderde, getekende afbeelding; portret.

Den sanct met zijnen gheselle seer statigh siende, en d'ander bootsighe vreemde tronien hebbende, V. Mander 216 b [1604].

Een Marienbelt, de tronie naer Jouffrouwe van Thielen, in Denucé, Antw. "Konstkamers" 283 [1679].

Betaelt Iacob van Oost, over tschilderen van twee troengien in den bovenschreven authaer tafel, in Weale, Église de Dixmude, 2, 297 [1643].

Mylord Portland versocht mij door Kneller een tronie vanden Con. in profil te doen maken, om inde tapisseryen gebracht te werden, C. Huygens Jr., Journ. 2, 575 [1696].

tuiling, (de kunst of vaardigheid van) het op een harmonieuze wijze combineren van kleuren; hetzelfde is tuilkunst. Niet in WNT.

Van de tuiling, schakeering, of byeenschikking der verwen (hoofdstuktitel), V. Hoogstraten 302 [1678].

Het wel schikken der koleuren, ’t welk wy de tuilkonst noemen, V. Hoogstraten 300 [1678].

tussenkleur, zie bij halfverf.

verdrijven, (kleuren, verven e.d.) geleidelijk in elkaar doen overgaan, vloeiend ineen doen smelten, doen vervloeien. Voor een tweede en derde voorbeeld, zie bij mastikot en zwadderen.

T'gene dat hem (Jan van Eyck) (...) verwonderde en behaeghde, was (...) dat haer de verwe beter (...) met de oly liet verdrijven en verwercken, dan met de vochticheyt van ey oft lijm, V. Mander 199v [1604].

Jan Saenredam (naar Hendrick Goltzius), Portret van Karel van Mander (1548-1606). Bron: Wikimedia

verf, kleur, tint.

Met coorden van boomwol van verscheyden verwe, vol knoopen, onthielden sy hun Annales, oft Iaerlijcksche gheschiedenissen, V. Mander 52r [1604].

Wat hebdy dat u verru soo verwandert? O mijn! ghy bent soo bleeck, u wesen dat verandert, En over al breeckt uyt dat klamme koude swiet, Bredero 1, 354 [c. 1615].

verfwrijven, kleurstoffen (pigmenten) met een loper op een wrijfsteen fijnwrijven om die als basisonderdeel bij het maken van verven te kunnen gebruiken. Vandaar ook : verfwrijver.

Zeuxis schoot hem (iemand die zich ten onrechte als kunstkenner voordoet) toe, dat hy by een yegelijk, zoo lang hy gezweegen had, met vreez' en verwondering was aengezien, maer dat hy nu, door zijn onbeschaeft en dom oordeelen van 't geen hy niet en verstond, zich zelven tot een spot der verfwrijvende jongens gemaekt hadde, V. Hoogstraten 315 [1678].

De Schilders, die dien zoo hoogverlichten man dus (foutief) onderrecht hebben, verdienden van Apelles verwvrijvers bespot te worden. Want noch root noch geel en kan 'er uit wit en bruin, V. Hoogstraten 224 [1678].

Arent de Gelder, Zelfportret als Zeuxis. Bron: Wikimedia

verschildpadden, zie bij schildpadden.

vis, verfkwast gemaakt van het haar van de bunzing (fis, visse). Hierbij ook: vispenseel.

Wat nu (...) de visschen aangaat, men mag de zagste buiten twijfel wel voor de beste houden, en zy worden gebruikt, om de verwen (...) te verdryven, zagt en donzig in elkanderen te mengen; op dat het leven op 't zoetste en natuurlijkste werde nagebotst, Beurs 23 [1692].

Men (sal) een dun purperken onder het blaeuw leggen, en dan met een saght borstelken of vis-pinceel het benedenste van ’t geleyde blaeuw, sonder het opperste te raecken, op het purper onder den anderen verdrijven, Brugge-Goeree 4 [1670].

walruszwart, zie bij ivoorzwart.

welstand, schoonheid van vorm, fraaiheid van opbouw of houding. Daarbij ook vormingen als welstandig en onwelstandigheid.

Den Lasarus was (...) een seer schoon en uytghenomen suyver naeckt, van goeden welstandt, V. Mander 205v [1604].

De landschappen en uitzichten geeven aen de historyen een groote welstant, maer zy moeten eygen en natuerlijk zijn, V. Hoogstraten 135 [1678].

Al ware het dat een Zolderstuk alleen uit wit en zwart, dag en schaduwe, bestond, het zou daarom geen minder welstand hebben, noch minder achting waardig zyn, De Lairesse, Schilderb. 2, 157 [ed. 1712].

Een goede trony te kunnen maken is wel prijsselijk, maer een welstandige figuer met een maer taemelijke trony te maken, is meer, V. Hoogstraten 44 [1678].

Dus moghen wy noch meer (naer onsen weten) Eens Beeldts onwelstandicheden hier nommen, ghelijck wanneer een bootse is gheseten met de voeten ter sijden uyt ghesmeten, en de knyen inwaert nae malcander crommen, wort niet ghepresen, V. Mander 13r [1604].

Aelbert van Ouwater, De opstanding van Lazarus. Bron: Wikimedia

zee(tje), zie bij hel.

zeestuk, zolderstuk, zie bij stuk.

zwadderen, op luchtige, losse wijze schilderen. Vandaar ook: zwaddering, (resultaat van een) luchtige, vrije wijze van schilderen.

Veel had hy (Jan den Hollander) oock de manier, van al swadderende op de penneelen oft doecken de gronden mede te laten spelen, V. Mander 215r [1604].

Dies is allermeest te prijzen, datmen zich tot een wakkere pinseelstreek gewoon maeke (…) gevende de teykening zijn behoorlijke toedrukkingen, en de koloreeringen, daer 't lijden kan, een speelende zwaddering: zonder ooit tot lekken of verdrijven te komen, V. Hoogstraten 233 [1678].


Bronnen: Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), Schilder-boeck van Karel van Mander (1604), Verlichterie-kunde of recht gebruyck der water-verwen van Geerard ter Brugge en Willem Goeree (1670), Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst van Rembrandts leerling Samuel van Hoogstraten (1678) en De groote waereld in’t kleen geschildert van Wilhelmus Beurs (1692). Alle geraadpleegde bronnen zijn online beschikbaar en staan meestal ook in detail beschreven in de WNT-bronnenlijst, digitaal te vinden in onze woordenboekenapplicatie.

Op deze website maken wij gebruik van cookies.