Imkers of beekeepers?

Dirk Geirnaert

Vorig jaar kwam in Aalst een ondernemer op het idee om uit honing gin te maken. Voor de honing deed hij een beroep op Antwerpse urban beekeepers. Urban is hier belangrijk, want in de stad vinden bijen, in tegenstelling tot wat je zou verwachten, op de balkons en in de tuintjes en parken dikwijls een gevarieerder bloemenaanbod dan op het platteland. Het fenomeen van de urban beekeepers is ook in Amsterdam al populair en op diverse daken en balkons zijn daar bijenkasten of bijenhotels aan te treffen ter versterking van de bedreigde bijenpopulatie. Maar waarom heeft men het in Aalst, Antwerpen en Amsterdam over urban beekeepers en niet gewoon over stadsimkers?

stadsimker

Hamish Irvine - CC BY 2.0

Volgens sommigen ongetwijfeld weer een bewijs van het oprukkende Engels. Maar misschien is het Engels hier toch duidelijker dan het Nederlands. Want wie weet eigenlijk nog waarom een bijenhouder imker heet? Ook taalkundigen zijn er nog niet uit en komen met verschillende verklaringen. Imker gaat terug op imme, een oud woord voor 'bij' en voor 'bijenzwerm, bijenvolk'. Iemand die voor een imme zorgt, is dan een imme-ker, waarbij het achtervoegsel -er de handelende persoon aanduidt en de -k- ervoor zorgt dat het woord makkelijk uit te spreken is (net zoals bij het synonieme bij-ker 'bijenhouder' en kooi-ker 'houder van een eendenkooi'). Een andere uitleg is, dat imker voortgekomen is uit imme-kaar, waarbij kaar een ander woord is voor 'korf'. Dit immekaar verdofte tot immeker, waarbij men dan ging denken dat het woord eindigde op het personen aanduidende achtervoegsel -er.

Kiezen we voor urban beekeeper of voor stadsimker? Onze voorkeur gaat natuurlijk uit naar het Nederlandse stadsimker. Maar remember: no bees, no being, let's save the queen!

  • imme in het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW)
  • imme in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)
  • imker in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)
  • immenkaar in het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW)
  • kaar en immenkaar in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)

Op deze website maken wij gebruik van cookies.