Categorieën
Terug in de taal

roervink

Een van de grote afwezigen tijdens de Nationale Tuinvogeltelling van dit jaar: de roervink.

Het afgelopen weekend hebben 136.903 Nederlanders de moeite genomen om een half uur lang alle vogels in hun tuin of op hun balkon te tellen. Tijdens deze editie van de jaarlijkse Nationale Tuinvogeltelling van Vogelbescherming Nederland kwamen de deelnemers tot een totaal van maar liefst 1.898.916 getelde vogels. Het vaakst waargenomen was de koolmees; daarna kwamen de huismus en de pimpelmees. In de lijst met de 25 meest getelde tuinvogels ontbreekt de roervink.

Een ver familielid van de roervink: De luistervink van kunstenaar Arnout Visser [via Wikimedia Commons]

Vogeltjes vangen

Dat is niet zo vreemd, want deze gevederde vriend zul je niet snel in de vrije natuur tegenkomen. Een roervink is namelijk een vink die aan een zogeheten roer – dat wil zeggen een stok of een stuk touw – is vastgebonden. Als de vinker – iemand die vinken en andere kleine vogels vangt – nu een ruk geeft aan die roer kan het arme vogeltje niet anders dan opfladderen. Op deze slinkse manier hoopt de vinker vrije vinken te lokken die hij vervolgens kan vangen. Een roervink was oorspronkelijk dus een lokvink.

Slechte vinken

Vanwege de bijgedachte aan roer in de betekenis ‘opschudding’ of ‘oproer’ kreeg roervink al in de 16e eeuw er een andere betekenis bij, namelijk ‘onruststoker’, ‘opruier’ of ‘ophitser’. Het tweede deel –vink heeft hier duidelijk iets ongunstigs, zoals wel vaker het geval is wanneer het voorkomt in woorden die verwijzen naar personen. Zo kennen we nog altijd de luistervink voor iemand die gesprekken afluistert en daarvan misbruik maakt. Een ander voorbeeld, dat in de platte volkstaal van 17e-eeuwse kluchten voorkwam, is het scheldwoord gatvink. Ook sletvink als aanduiding voor een  ‘slonzige vrouw’ of een ‘ontuchtige vrouw’ behoort niet meer tot het levende taalgebruik. Dat geldt ook voor lichtvink, een woord dat toentertijd aanvankelijk uitsluitend van toepassing was op mannen – het betekende dan zoiets als ‘hoerenloper’, ‘overspelige’ – maar later in het zuidelijk deel van ons taalgebied ook voor vrouwen gebezigd werd. Het betekende dan zoiets als ‘lichtzinnig meisje’.

Vreemde vogels

In zijn bekende verzameling Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1902) geeft F.A. Stoett naast niet-bestaande vogels als de luistervink voorbeelden van vinkensoorten die echt bestaan en vanwege een specifieke eigenschap ook overdrachtelijk gebruikt worden om te verwijzen naar personen. Zo is een goudvink (pyrrhula pyrrhula) ‘iemand die rijk is’, een rietvink (= rietgors, emberyza schoeniclus of kleine karkiet, calamoherpe arundinacea) ‘iemand met een piepende stem’, een distelvink (= putter, carduelis carduelis) ‘iemand die gemaakt vrolijk is’ en een vlasvink (= groenling, chloris chloris), ‘iemand die op het vlasveld werkt’.

Het is duidelijk dat niet alleen onze tuinen en balkons maar ook onze historische woordenboeken vol zitten met vogels. Misschien moet het Instituut voor de Nederlandse Taal maar eens een Nationale Huisvogeltelling gaan organiseren. Hoeveel vogels neemt u vanuit een gemakkelijke fauteuil waar als u een half uur in het (online) Woordenboek der Nederlandsche Taal bladert?


Meer lezen