Categorieën
Woorden weten alles

De val van de frank en het dubbeltje

Ludo Permentier vraagt zich af of er sinds de invoering van de euro nog weleens een frank valt in Vlaanderen en een kwartje in Nederland.

Dat verhelderende moment waarop de puzzelstukjes in elkaar schuiven, de waarheid aan het licht komt of de schellen van de ogen vallen, daarvoor bestaat een typisch Vlaamse en heel populaire uitdrukking: mijn frank is gevallen. In Nederland valt soms een dubbeltje en vaker nog een kwartje, maar geen van deze uitdrukkingen komt levend de staatsgrens over.

Wat de terminologie van valuta betreft, zijn de twee landen dichter bij elkaar gekomen in 2001. Toen verdwenen de frank en de gulden uit onze portemonnee, samen met onder meer de lire, de peseta, de drachme en de mark, ten voordele van de euro. Stilaan gleden ook die benamingen weg uit onze dagelijkse woordenschat.

Dat is nu twintig jaar geleden en ik vroeg me af of er soms nog wel een frank valt in Vlaanderen en een kwartje in Nederland.

Ik ben gaan tellen in de persdatabanken, al besef ik dat het om spreektalige uitdrukkingen gaat. De resultaten tonen dus slechts een fractie van het ware leven. Wat blijkt? Vlaamse kranten- en tijdschriftenredacties hoorden ruim meer dan honderd franken vallen in het afgelopen jaar. Vóór de val van de frank was dat niet opzichtig veel meer of minder. Hetzelfde met het dubbeltje en het kwartje. Het lijkt er dus op dat de gewezen nationale munten wel zijn afgeschaft, maar doorleven in uitdrukkingen (zie ook: wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje, zijn laatste oortje versnoept hebben en een duit in het zakje doen.)

Hopelijk blijft dat zo, want een van de prettige neveneffecten van taal is dat ze een beeld bewaart van onze ouders en voorouders, die tenslotte die taal voor ons gesmeed hebben tot wat ze is. Bijkomend voordeel: als een uitdrukking wel nog overdrachtelijk wordt begrepen, terwijl de letterlijke betekenis in de nevel van de tijd is vertroebeld, dan is er altijd een mooi verhaal te vertellen. Dat ga ik dus nu doen.

Als een muntstuk valt, dan lokt dat vooral een spijtige reactie uit, zou je denken. Behalve in één geval: als die penning móét vallen, bijvoorbeeld in een automaat. Blijkbaar waren de penny-in-the-slot-machines die de straten in Engeland begonnen te sieren aan het eind van de negentiende eeuw, lang niet volmaakt. Wie daar zijn centen in gooide, was niet altijd zeker of die niet bleven haperen, waardoor je kon fluiten naar je snoepgoed of je postzegels. Waardoor de gasmeter het niet deed of de gokautomaat je bij voorbaat al geen kans gaf. Om nog maar te zwijgen van het openbaar toilet dat zijn deur niet opende hoewel je ervoor had betaald in hoge nood. Dat kwam ook omdat onverlaten kartonnen muntjes maakten om gratis te scoren en daarmee de machines ontregelden.

Kortom: als je penny in het mechanisme víél, dan was je opgelucht. Vandaar de uitdrukking ‘the penny dropped’. Bij ons: mijn frank viel, mijn kwartje is gevallen.


Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden van nieuwe afleveringen van WoordHoek? Schrijf u dan in voor Taalpost, de gratis e-mailnieuwsbrief van het Genootschap Onze Taal.

Ludo Permentier is journalist en auteur. Hij was docent in het middelbaar onderwijs, werkte bij Van Dale en de Taalunie en publiceerde taalboeken. Vijftien jaar lang schreef hij de taalcolumn Woorden weten alles in De Standaard.

E-mail: ludo.permentier@telenet.be