Categorieën
Woorden weten alles

Fier op mijn taal

In de Week van het Nederlands denkt Ludo Permentier aan een ongemakkelijk moment aan een tafel vol ‘Hollanders’.

‘Wat zeggen ze in België over de taal die jij spreekt? Noemen ze dat Nederlands?’ Mijn slokje bier spuit ineens uit mijn oren. En alle ogen zijn op mij gericht. Hollandse ogen, want we zitten in een café in Leiden, na een lezing over diversiteit in onze moedertaal. Over de regenboog aan dialecten, streektalen en accenten, en over de kans dat het Nederlands de globalisering overleeft. Om maar te zeggen: we hebben dat biertje wel verdiend.

Foto: Frank Kuijper – Biercafé de Bonte Koe

En plots vraagt die vriendelijke mevrouw in alle ernst of mijn landgenoten vinden dat ik Nederlands spreek. Zelf heb ik daar nooit aan getwijfeld. Ik weet het, vroeger zwaaiden bij ons nogal wat fundamentalisten met hun plak, en die schamperden dat niemand in Vlaanderen Nederlands sprak – behalve zijzelf dan. Wat je hier hoorde was een samenraapsel van gallicismen, taalfouten en dialectwoorden. Een ‘taaltje’, noemden ze dat. Alsof het maar bestond uit een woord of twintig en de rest was gebral. De meesten van die mensen hebben hun denkbeeld gelukkig herzien of meegenomen naar het hiernamaals. Daar ruste het in vrede.

Ik ben niet gauw op m’n teen getrapt, maar ik voel me ineens een allochtone minderheid, hier in Leiden. Ik ben niet langer een vriend van de professor die de lezing heeft gegeven, maar een taalkundige curiositeit. Het is een beetje zoals de Congolezen zich gevoeld moeten hebben die voor de wereldtentoonstelling Expo ’58 naar Brussel werden gehaald en overal werden aangestaard. Thuis waren ze mensen, hier waren ze zwart.

Het voordeel van zo’n situatie is wel dat al die Nederlanders naar de rand van hun stoel schuiven om te luisteren naar wat ik zeg en hoe ik het zeg. Wie als Vlaming weleens met Nederlanders om een tafel zit, weet dat je die kans alleen krijgt nadat je ze hebt bevochten. De Nederlander is gewoon om aandacht op te eisen, de Vlaming wacht tot iemand hem om zijn mening vraagt. Dikwijls is dat pas tijdens de borrel na de vergadering.

Deze kans mag ik dus niet laten liggen. Ik overweeg even aan die mevrouw te vragen of zijzelf wel Nederlands spreekt. Maar ik moet diplomatisch blijven, want ik heb niet genoeg geld op zak om het rondje te betalen als het hele gezelschap boos het café verlaat. Dus klets ik me eruit met wat algemeenheden over de standaardtaal die we uit het Noorden hebben geleend, en over het groeiend zelfbewustzijn van de Vlaming, wat de kloof met dat Noorden onvermijdelijk heeft verbreed en nog steeds verbreedt. De redding komt van mijn rechterbuurman. ‘Weet je wat ik zo mooi vind? Vlamingen zijn fier!’, zegt hij glunderend. ‘Echt waar?’, vragen de anderen in koor. Welzeker, zeg ik. ‘Jullie kunnen geweldig trots zijn op jullie taal, wij zijn fier op die van ons.’ Dat vinden ze heel mooi en iemand van het gezelschap loopt prompt naar de kassa om het rondje te betalen.


Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden van nieuwe afleveringen van WoordHoek? Schrijf u dan in voor Taalpost, de gratis e-mailnieuwsbrief van het Genootschap Onze Taal.

Ludo Permentier is journalist en auteur. Hij was docent in het middelbaar onderwijs, werkte bij Van Dale en de Taalunie en publiceerde taalboeken. Vijftien jaar lang schreef hij de taalcolumn Woorden weten alles in De Standaard.

E-mail: ludo.permentier@telenet.be