Categorieën
Woorden weten alles

Heksenjacht

Brandstapels en pijnbanken zijn zaken uit een ver verleden, toch? Ludo Permentier schrijft in zijn column over het nog springlevende woord heksenjacht.

Het stadsbestuur van Lier (provincie Antwerpen) heeft vorige week formeel zijn excuses aangeboden aan Cathelyne Van den Bulcke. Dat mocht weleens gebeuren, want hun bestuurlijke voorgangers hebben de arme vrouw onheus behandeld: na langdurige marteling op de pijnbank, hebben ze haar op de Grote Markt gewurgd en op de brandstapel gegooid. We schrijven 20 januari 1590 en Cathelyne was officieel een heks.

Na een ‘scherpe examinatie’ heeft ze dat zelf toegegeven – en zo’n vrouw gaat daar toch niet voor liegen, zeker? Ze vertelde over ene Moonvaeyer, die ze twee jaar voordien ontmoet had en die haar een luilekker leventje had beloofd als ze zich maar plooide naar zijn wil. (Dat viel dus lelijk tegen.) Op uitdrukkelijke vraag van het schepencollege gaf Cathelyne toe geslachtelijke omgang te hebben gehad met deze duivel. Kwam daarbovenop: een paard dat een onverklaarbare ziekte had gekregen en een schuur die zomaar in brand was gevlogen. Duidelijk door haar toedoen, dus. En met een heks mocht je geen halve maatregelen nemen. Als je ze verbrandde, werden haar kwade werken tenietgedaan en kon ze misschien toch nog naar de hemel. Zo ging dat ten tijde van de heksenvervolging in onze streken (1450-1610).

Moonvaeyer kunnen we vertalen als ‘vadertje Duivel’. ‘Moenen metter eender ooghe’ (Mon met het ene oog) is de naam waarmee de duivel zichzelf voorstelt aan Mariken van Nieumeghen. In sommige verhalen heeft de duivel slechts één oog, en dat is dan nog om een schijn van menselijkheid op te houden, want hij heeft geen ogen nodig om te zien in het donker. Kende Cathelyne het verhaal van Mariken? Dat is onwaarschijnlijk. Eerder refereerde de naam Moonvaeyer aan een volkse benaming voor de demon. ’t Is te laat om het aan Cathelyne te vragen.

Seks met de duivel lijkt ons een nogal roekeloze bezigheid, maar wie de etymologie van het woord heks erop nakijkt, ziet waar het vandaan komt. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands puzzelt eerst met verwante woorden en mogelijke verbanden, maar kan niet om de naakte waarheid heen in zijn besluit: ‘In vrije bewoording kan de heks dan oorspr. omschreven worden als sekstovenares.’

Dat is allemaal voltooid verleden tijd, zegt u. Wij leven in een moderne rechtsstaat en de pijnbank staat definitief op zolder. Maar we hebben de sociale media! En kijk: De Standaard schreef vorige week: ‘als ze [= de pandemie] in lokale haarden opflakkert, haasten we ons om iemand op de brandstapel te gooien’. Diezelfde dag klaagt een gezin uit Zwolle in De Stentor over de ‘heksenjacht op de zoon des huizes’, die een geparkeerde auto in puin heeft gereden. De slachtoffers van de ongewenste intimiteiten door een ‘bekende Vlaming’ maakten hun naam publiek om te vermijden ‘dat de media jacht zouden maken’ op henzelf. En in de Volkskrant treedt Donald Trump nog eens in zijn rol als slachtoffer van ‘de grootste heksenjacht uit de geschiedenis’. Elke dag gaat het om heksenjacht in de krant.

Benieuwd of ze daar over vierhonderd jaar nog over spreken.