Categorieën
Woorden weten alles

Nooit ten einde

De lange geschiedenis van Van Dale schemert nog steeds in de definities door.

Een woordenboek is een nuttig instrument, laat daar geen twijfel over bestaan. Je zoekt er woorden in op die je zijn toegewaaid, en het helpt je de pareltjes uit onze taal op te duiken wanneer je ze nodig hebt. Daarnaast is een goed woordenboek een bron van verwondering, dus van taalplezier.

Jubileum

Vooral oudere woordenboeken bevatten trefwoorden uit andere werelden, waar je van opkijkt. Zelfs de nieuwe editie van de Dikke Van Dale is in dat opzicht een oud woordenboek. Het verscheen vorige maand in een jubileumuitgave, 150 jaar na de eerste druk die Johan Hendrik van Dale had samengesteld. Beter gezegd: bewerkt, want hij baseerde zich op een bestaand woordenboek, samengesteld door de neven Isaac en Nathan Calisch, uitgegeven in 1864. En zelfs die oer-Van Dale was gebaseerd op nog oudere vertaalwoordenboeken.

De Van Dale-redactie heeft altijd op vorige generaties geleund. Ongeveer eens per tien jaar bracht ze een nieuwe editie uit, die een revisie en een aanvulling was van de vorige. Dat deed ze met de middelen die beschikbaar waren, zeg maar met bakken vol knipsels en kaartjes, tot het digitale tijdperk kwam aan het eind van de vorige eeuw. Toen pas kon een lexicograaf de verborgen inconsistenties systematisch opsporen en in het reine trekken.

Grootsplit

Dat is een werk in uitvoering, en het is aan het woordenboek te merken. Om te beginnen zijn in het woordenboek talloze woorden blijven staan waar vandaag zelfs met de betekenisomschrijving erbij geen touw aan vast te knopen valt. Neem nu die touwslagerij, waar het hoofd een ‘dikke dwarsplank met gaten’ is ‘aan de voorstijlen van de uithaalwagen bij het slaan van de strengen’. Of in de visserij het grootsplit, de ‘benaming van een van de jonen bij de beugvisserij, waarop een splitvlag staat’. Het tuimelrijn, bij molenbouwers bekend als de ‘verbeterde ophanging van de lopersteen aan de bolspil in koren- en pelmolens’. De wittewijvenkuil kunt u zelf raden. Dat is natuurlijk een ‘kuil waar­in zich wit­te wij­ven zou­den op­hou­den’. En mijn all-time favourite: de broekzwaarte of ‘de meer­de­re zwaar­te van het deel ach­ter de tap­pen, waar­door het buk­ken voor een deel werd voor­ko­men’ (het gaat over een kanon, niet over een cafébaas).

Ademstoten

Ook de definities zijn een bron van vermaak, voor wie snuffelt en snuistert. Zo vind je bijvoorbeeld dat baboesjka ‘eigenlijk onjuist’ is voor matroesjka. Dat de eerste betekenis van lul is: ‘pijpkan (voor zuigende kinderen)’. De redactie heeft deze keer wel een heleboel stroeve omschrijvingen vervangen door spreektaliger zinnen. Maar Van Dale maakt het toch graag moeilijk. Lachen is ‘door een vertrek­king van de mond­hoe­ken en de on­der­ste de­len van het aan­ge­zicht, al of niet ver­ge­zeld van een reeks hoor­ba­re adem­sto­ten, een ge­waar­wor­ding van vro­lijk­heid of op­ge­wekt­heid uit­druk­ken’. (Niet dat het Woordenboek der Nederlandsche taal hier vlotter in was!) Het cafetaria was in de vorige Van Dale een ‘restaurant met snelbuffet, m.n. zo’n restaurant waar men friet en snacks kan verkrijgen (en nuttigen)’. Nu is het een ‘restau­rant met snel­buf­fet, m.n. zo’n restaurant waar je friet en snacks kunt ver­krij­gen (en eten)’. Fijn dat je in een restaurant de schotels die je kunt verkrijgen, ook kunt eten.

Gelukkig is het werk van de lexicograaf nooit ten einde en is het woordenboek nooit perfect. En nu ik het over ‘ten einde’ heb: dat is een typische uitdrukking van oude woordenboeken. De neven Calisch omschreven uitrijden als ‘ten einde rijden’ en afbranden als ‘ten einde branden’. Dat is Van Dale blijven doen tot vandaag. Het woordenboek gebruikt het bij afroffelen (‘ten einde roffelen’) en aftuffen (‘ten einde tuffen’), bij doortobben (‘tobbend ten einde brengen’), bij uitspreken (‘ten einde spreken’) en uitrennen (‘ten einde rennen’). Zelfs uitkakken (‘ten einde kakken’) is sinds 1864 blijven staan. Sterker nog, ze hebben er in 1950 uitschijten aan toegevoegd (‘door de aarsopening lozen – (Zuidn.) schimpen, honend uitlachen’) en dat is in 1976 ‘bijgewerkt’ tot: ‘ten einde schijten’. Angstvallig probeer ik me daar niets bij voor te stellen.


Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden van nieuwe afleveringen van WoordHoek? Schrijf u dan in voor Taalpost, de gratis e-mailnieuwsbrief van het Genootschap Onze Taal.

Ludo Permentier is journalist en auteur. Hij was docent in het middelbaar onderwijs, werkte bij Van Dale en de Taalunie en publiceerde taalboeken. Vijftien jaar lang schreef hij de taalcolumn Woorden weten alles in De Standaard.

E-mail: ludo.permentier@telenet.be