Categorieën
Terug in de taal

achterkousig

“Niemand is te vertrouwen,” sprak de ouwe sok.

Vandaag de dag zijn het drukke tijden voor factcheckers. Ze draaien overuren om uit te zoeken wat er waar is van het recentste nepnieuwsitem of van een zoveelste broodjeaapverhaal over corona. Het is een wat ongemakkelijke waarheid, maar bij veel mensen neemt het vertrouwen in de overheid en in de wetenschap af, complottheorieën winnen terrein en de spelregels van de democratie worden door sommigen al te creatief geïnterpreteerd. Soms is het alsof we in een tijd beland zijn van argwaan, wantrouwen en achterdocht, kortom, in een tijd van achterkousigheid.

Afbeelding: Brecht Bug op flickr

Duidelijke betekenis

Achterkousigheid en het adjectief waarop het gebaseerd is, achterkousig, zijn woorden die gebruikt werden van de 16e tot en met de 18e eeuw. Het zijn intrigerende termen, want je gaat er je toch automatisch bij afvragen: wat hebben kousen nu met wantrouwen te maken? Dat is niet meteen duidelijk, maar de betekenis van de twee woorden is dat wel. Wanneer we bij de zeventiende-eeuwse auteur Roemer Visscher lezen:

Die soo achterkoussigh is, dat hy ’t geluck ’t welck hem de handt biedt, gantsch niet en derf aensoecken, die sal zijn rijckdom met hongerbeten verteeren.

dan is de boodschap helder: ‘wie steeds zo argwanend of wantrouwig is dat hij het geluk, wanneer het zich aandient, niet durft te grijpen, die raakt zijn rijkdom snel kwijt.’

Ook wanneer Roemer Visschers tijdgenoot Westerbaen schrijft:

Die achterkousigheyd is waerdigh om te haeten: in gladde biezen soeckt ghy knobbels.

begrijpen we al snel wat hij bedoelt: ‘laat je nooit leiden door achterdocht, het zorgt er alleen maar voor dat je problemen (knobbels) ziet waar die niet zijn (nl. in gladde biezen).’

Onduidelijke herkomst

Hoe het woord etymologisch verklaard moet worden, daarover zijn de taalkundigen het nog niet eens. Sommigen proberen achterkousig te verbinden met kous, ‘kledingstuk voor de voet en het onderbeen’, maar ze moeten daarbij dan ook meteen toegeven dat het ook voor hen een raadsel blijft hoe je vanuit kous bij een betekenis ‘wantrouwig’ uitkomt.

Het lijkt daarom meer voor de hand te liggen om een verband te zien met woorden als efterkoezig ‘achterdochtig’ in het Fries, afterkoese ‘geroddel’ en afterkosen ‘konkelfoezen, kwaadspreken, liegen’ in het in het Middelduits. Het woorddeel –kousig zou dan terug te voeren zijn op een oud werkwoord kosen, verwant met Lat. causari ‘spreken’ en nog terug te zien in ons woord liefkozen. Het eerste deel van achterkousig vinden we nog in woorden als achterklap en achterdocht, waar het zowel ‘achter iemands rug, buiten iemand om’ kan betekenen als ‘achteraf, na een bepaalde gebeurtenis of handeling’. Volgens deze hypothese is achterkousig dan eigenlijk te omschrijven als ‘sprekend en oordelend achteraf of terwijl iemand er niet is’, wat vervolgens met een negatieve bijgedachte evolueert tot ‘argwanend, achterdochtig, wantrouwend’ en ’terughoudend, uiterst gereserveerd’.