Vanwege sneeuwbuien werden afgelopen zondag tientallen vluchten op luchthaven Schiphol geannuleerd. En een dikke laag sneeuw in Rotterdam zorgde ervoor dat de voetbalwedstrijd Sparta-N.E.C. al na zes minuten moest worden gestaakt. Ondanks deze winterse taferelen dienen de eerste tekenen van het voorjaar zich dezer dagen voorzichtig aan. De eerste krokussen kleuren het gras, de merel verblijdt ons met zijn gezang in de ochtend en de dagen worden merkbaar langer. Kortom, het is lentelijk.

Zwierige abstractie
Kennelijk oogt het woord lentelijk jong want in 1985 schreef een literair recensent van NRC Handelsblad over een nieuwe dichtbundel van Kees Ouwens het volgende:
Iedere lezer van de bundel zal waarschijnlijk ook de grote hoeveelheid neologismen opvallen die aan Ouwens’ behoefte tot enerzijds beknoptheid en anderzijds zwierige abstractie beantwoorden: ‘natjas’, ‘woorddadig’, ‘lentelijk’, ‘gedonkerte’, ‘gereedschappelijkheid’ en het duizelingwekkende ‘landschappelijkheidsontmanteling’.
Op het eerste oog lijken de genoemde woorden alle zes dichterlijke nieuwvormingen te zijn, maar als je ze opzoekt in de historische woordenboeken van het Nederlands blijkt lentelijk niet zo nieuw als de recensent denkt. Sterker nog, het is al aangetroffen in het Glossarium Bernense uit 1240! In die tweetalige Latijns-Limburgse woordenlijst is lentelec de vertaling van vernalis, ‘van de lente’. Ook in een vijftiende-eeuws glossarium uit de regio Brabant/Limburg komt het voor, in de spelling lintelic.
Zeldzaam
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) vermeldt het woord wel, maar geeft het geen eigen lemma. Dat is niet zo vreemd, want lentelijk is volgens dat woordenboek ‘zeldzaam’. Als enige bewijsplaats geeft het een passage uit Hendrik Consciences Hlodwig en Clotildis, oorspronkelijk verschenen in 1854.
Honderdmaal heb ik dit lustbosch doorwandeld; het is de eerste maal niet, dat ik de lentelijke natuur aanschouw: eergisteren nog bevond ik mij in deze dreve, de zon stond even schoon aan den blauwen hemel.
De aflevering van het WNT waarin lentelijk staat, stamt uit 1914. De kans dat iemand dat woord bij het verzamelen van bronnen voor het woordenboek had opgemerkt, was toentertijd niet zo groot. Als we dit woord als zoekterm namelijk invoeren in Delpher dan blijkt dat lentelijk vooral in de jaren 1920-1970 uit de pen van journalisten vloeide, met een duidelijke piek in de jaren vijftig.
’t Lentelijk gebeuren
Hoewel het op sommige dagen wellicht al lentelijk voelt, zullen we nog een paar weken geduld moeten hebben voordat de lente definitief het stokje overneemt van de winter. Pas wanneer het eerste kievitsei is gesignaleerd, kunnen we met recht de volgende tekst uit 1950 aanhalen:
De Lente is gekomen, ik merk het aan de bomen,
wanneer ik loop te dromen langs Maas en Schelde-stromen.
Ik snuif de eerste geuren en zie de tere kleuren
van ’t Lentelijk gebeuren, dal mij weer op doet fleuren.
Zo voelt een mens zich blij, in ’t land van mist en klei,
waar ’t eerste kievitsei vooruitloopt op de Mei.
Nu komt de lijd van ijsjes, van speenkruid en radijsjes,
van lieve Lentewijsjes, met woorden zoals meisjes.
Ik zit op een terrasje en trek eens aan mijn dasje,
heb schik in een piasje van ’n wandelend kleuterklasje.
De juffrouw loopt te zingen van tol en touwtjespringen
en van die kinderdingen, die beter zijn dan swingen.
Dit kinderlijk gemoed geeft aan een burger moed.
Dus grijpt hij naar zijn hoed. Omdat hij werken moet.
- lentelijk in het Vroegmiddelnederlands Woordenboek (VMNW), in het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW), in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)

