In haar Boekenweekessay Hèhè. Over wat we zeggen zonder dat we het doorhebben karakteriseerde Paulien Cornelisse tussenwerpsels als ‘een soort strooigoed van taal’. Volgens haar behoren deze woordjes tot de essentie van de Nederlandse taal. We gebruiken ze voortdurend zonder dat we ons daarvan bewust zijn. In gesproken taal blijkt maar liefst 1 op de 10 woorden een tussenwerpsel te zijn.

Hoe anders is dat in geschreven taal. Daar werden en worden tussenwerpsels maar mondjesmaat op papier gezet. Zo zijn in het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW) slechts 36 lemmata aangemerkt als tussenwerpsel. En ook het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) – dat ruwweg de periode tussen 1500-2000 beschrijft – komt niet verder dan 558 interjecties. In vergelijking met de 36 tussenwerpsels van het MNW lijkt dat misschien best veel, maar het gaat toch nog maar om ongeveer 0,1% van het totaal aantal WNT-lemma’s.
Jeetje!
Het leeuwendeel van de tussenwerpsels in deze twee historische woordenboeken is afkomstig uit toneelstukken. Tot de opkomst van de roman in de achttiende eeuw waren deze teksten de enige waarin gewone gesproken taal voorkwam, inclusief de daarbij horende uitroepen, verzuchtingen of verwensingen. Om de personages zo levensecht mogelijk neer te zetten maakten schrijvers dankbaar gebruik van tussenwerpsels. Vooral in kluchten zijn ze veelvuldig te vinden.
Het taalgebruik van de eenvoudige lieden die in kluchten ten tonele verschenen, was soms ruw en onbeschaafd en de situaties waarin de hoofdrolspelers terechtkwamen ontlokte bij de spelers toentertijd geregeld uitingen van tegenzin, afkeer of walging. Daarbij was het niet ongewoon om verbasteringen te gebruiken waaraan de naam van God of Jezus ten grondslag lag, iets wat wij ook nu nog altijd doen. Denk daarbij aan Beget of Begod van Bij God, aan Ajasses van Ah! Jezus of aan Jeetje van Jezus.
Waarachtig!
Bij deze drie verbasteringen is – met enige moeite – nog wel te achterhalen wat de etymologie is, maar zou iemand enig idee hebben van de oorsprong van het tussenwerpsel tjansooi? Waarschijnlijk zijn die mensen op de vingers van één hand te tellen. Dat komt niet alleen omdat het woord al sinds lang verouderd is maar ook omdat de verbastering tamelijk rigoureus is geweest.
Tjansooi is namelijk ontstaan uit tjans hoode dat op zijn beurt een verbasterde vorm is van bij Sint Jans hoofde. Het betekende zoveel als ‘waarachtig’, dat zelf overigens ook weer te verbasteren is tot waratje of warempel. In het WNT komt tjansooi uitsluitend voor in zestiende-eeuwse toneelstukken. ‘Tiansoy, diet niet en can, en speles niet’ (Waarachtig, wie het niet kan, moet het niet doen), lezen we bijvoorbeeld in de Gentse spelen van 1539.
Hoofdwens
De etymologie van het woord tjansooi is hiermee opgelost. Rest de vraag waar het hoofd van Sint-Jan vandaan komt. Welnu, dat is een verwijzing naar Johannes de Doper uit het Nieuwe Testament. Een zekere Herodias had haar man verlaten om samen te leven met Herodes Antipas. Johannes kapittelde Herodes over dat onwettige huwelijk, waarna de vorst hem gevangen liet zetten. Toen Herodias’ dochter Salomé de gunst van haar schoonvader Herodes had verworven met een prachtige dans op zijn verjaardag, mocht zij een wens doen. Haar moeder – ontstemd over Johannes’ eerdere terechtwijzing – fluisterde haar toen in dat zij om het hoofd van Johannes de Doper moest vragen. Ja, waratje, aldus geschiedde.