Naast de trouwe viervoeter kent de mens al eeuwen ook een trouwe tweevoeter: de kip. Hoe belangrijk deze gevleugelde vriend in onze moderne samenleving is, blijkt uit het grote aantal samenstellingen met kip dat het Nederlands kent. Een paar voorbeelden: de batterijkip, de bofkip, de chloorkip, de hobbykip, de maïskip, de verklikkip en de vrije-uitloopkip. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal kent ook de uitkip, maar dat is een vreemde eend in de bijt.

afzonderen
Tegenwoordig denk je bij kip meestal aan een vrouwelijk hoen, maar in die betekenis doet het woord pas opgeld vanaf de achttiende eeuw; voor die tijd was hen het gebruikelijke woord voor de eierleggende vogel. Het woord uitkip heeft dan ook niets te maken met pluimvee; het is afgeleid van uitkippen. De gebruikelijkste betekenis van dat werkwoord is ‘als de beste kiezen uit een aantal’ of ‘selecteren’. Maar aan uitkip ligt een andere, weinig gebruikelijke en inmiddels verouderde betekenis van uitkippen ten grondslag, namelijk uit ‘een groep verwijderen’, ‘afzonderen’ of ‘uitnemen’. Uitkip betekende daarom toentertijd ‘verwijdering’.
Zo gebruikt de Engelsman Richard Dafforne – die in Amsterdam de Nederlandse taal geleerd had en daar boekhouder en schoolmeester was – het woord uitkip in zijn Grammatica ofte Leez-leerlings Steunsel (1627):
Syncope is een besnoy oft uyt-kip van letteren, als wanneer men midden uyt het woord een me-klink-letter (end’ somtyds noch een klink-letter daer by) uytlaet, end’ in plaetse van die het verkort-teeken stelt: het woort alzoo een Sillabe kortende, als: bela’en — beladen, gheva’en – ghevanghen
uitzonderen
Ook het zelfstandig naamwoord uitkipping is afgeleid van uitkippen, maar dan in de betekenis ‘uitsluiten, uitzonderen’. Zo is de vraag “Maect een uytkippingh wel den vasten regel vals?” een oude variant op ons “De uitzondering bevestigt de regel”.
In kranten uit het midden van de twintigste eeuw kom je het woord uitkipping ook nog in een andere betekenis tegen. Voor duivenmelkers heeft het Limburgsch dagblad van 3 februari 1933 een goede tip:
Onze duivinnen moeten zeker en vast regelmatig kunnen vliegen, zoo niet worden ze te vet, waardoor vertraagde en moeilijke leg ontstaat, alsook slechte uitkipping en gebrekkige groei der jongen.
Duivenhouders gebruikten de term voor het moment dat eieren door het broeden uitkomen. De kuikens kippen ‘hakken’ dan de eierschaal kapot, zodat ze zich een weg naar buiten kunnen banen. Met een zorgvuldige keuze uit een grote hoeveelheid maken zoals een andere betekenis van kippen luidt, heeft dat niet zoveel te maken.
- kip (II) in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)
- kippen (V) in het WNT; kippen (VIII) in het WNT
- uitkip in het WNT
- uitkippen (I) in het WNT; uitkippen (II) in het WNT
- uitkipping in het WNT; uitkipping in het WNT

