Categorieën
Terug in de taal

vuurwerker

Als particulieren volgend jaar zelf geen vuurwerk meer mogen afsteken, kunnen we weer een beroep doen op vuurwerkers.

Het afgelopen jaar hebben Nederlanders voor een recordbedrag van 129 miljoen euro aan vuurwerk gekocht. Dat is niet zo vreemd, want dit was de laatste keer dat consumenten met Oud en Nieuw zelf legaal vuurwerk mochten afsteken. De komende jaarwisseling geldt namelijk waarschijnlijk een verbod op oudjaarsvuurwerk, vanwege de zware belasting voor de openbare orde, de volksgezondheid en het milieu.

Om het nieuwe jaar toch op een schitterende en knallende wijze in te luiden, zullen er vast en zeker vuurwerkshows georganiseerd worden waar professionele vuurwerkafstekers op vakbekwame en veilige wijze hun publiek – figuurlijk – in vuur en vlam zetten. Zulke specialisten noemen we met een deftig woord pyrotechnici, maar waarom halen we voor hen niet het begrip vuurwerker van stal?


Vuurwerk ter ere van de intocht van Willem III in Den Haag (1691) [via Rijksstudio]

Ernstvuurwerk

Eigenlijk is een vuurwerker iemand die vuurwerk maakt. In die betekenis kennen we het woord al sinds het begin van de 17e eeuw. Aanvankelijk was hij net als de mineur – bekend van het bordspel Stratego – een soldaat met een duidelijk omschreven opdracht. Een vuurwerker maakte buizen, lonten en slaghoedjes voor het ontsteken van ladingen maar vervaardigde ook voorwerpen met ontploffende, brandbare of lichtgevende stoffen. Die werden als strijdmiddel gebruikt voor brandstichting (brandkogels, brandgranaten), voor verlichting (pekkransen, flambouwen) of voor het geven van seinen (blikvuren, alarmstangen). Serieuze zaken dus. Niet voor niets noemden ze dat toentertijd ernstvuurwerk.

Lustvuurwerk

Vanzelfsprekend is dit niet het vuurwerk dat wij tegenwoordig graag zien als de klok twaalf uur slaat op Oudjaarsdag. Nee, wij kijken juist reikhalzend uit naar zogeheten kunstvuurwerk, lustvuurwerk of feestvuurwerk. Of, zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal het omschrijft, ‘lichtgevende, ontploffende en brandbare voorwerpen die bij feestelijke gelegenheden worden aangestoken of afgeschoten’.

Vuurwerk in Den Haag

In 17e-eeuwse kranten uit het Couranten Corpus staan talrijke beschrijvingen van feestvuurwerken. Zo berichtte de Oprechte Haerlemsche Courant van 11 december 1677 dat stadhouder Willem Hendrik van Oranje (1650-1702) vanuit Engeland was teruggekeerd op Huis Honselaarsdijk. Voor zijn ontvangst in Den Haag was een prachtig schouwspel ogesteld van ‘veele en kostelijcke Vierwercken, in veele Jaren diergelijcke niet gesien’. De toegestroomde toeschouwers zagen onder andere:   

een Draeck, een Leeuwe, den Ridder St. Joris, Fonteynen, Piramiden met Blom-potten en Draecke-koppen verciert, verscheyde Castelen, Triumph-wagen, Jupiter en Mars, komende uyt de Lucht nederdalen, die sigh alle heerlijck in ’t Vier sullen vertoonen, nevens noch veele andere rare [‘bijzondere’] en kostelijcke Vierwercken, dewelcke mede voor de Huysen van de Heeren Graven van Nassouw ende Hoorn sullen zijn te sien, behalven [‘naast’] de ontelbare Pick-tonnen [‘pektonnen’], doe door den geheelen Haeg sullen werden aengesteecken, van dewelcke onder anderen by de 300 in den Vyver sullen staen branden

Het moet een indrukwekkende vertoning geweest zijn waar de aanwezigen zich zeker aan vergaapt zullen hebben. Als gemeenten er nu voor zorgen dat moderne vuurwerkers bij de komende jaarwisseling met een net zo spectaculaire vuurwerkshow op de proppen komen, dan zal de behoefte om zelf een vuurwerkpot of een vuurpijl af te schieten spoedig verdwijnen.


Meer lezen