Categorieën
Uit de streek

krootje

Waarom wordt een dennenappel in het dialect ook wel krootje genoemd?

De dagen worden korter, handschoenen, mutsen en sjaals worden uit de kast gehaald, bomen kleuren oranje, rood en geel. De herfst is in het land, het ideale moment om een boswandeling te maken. Misschien kun je wel krootjes verzamelen? Dat zijn dennenappels. Dennenkroten, mastenkroten of gewoon krootjes vind je in Noord-Brabant, zoals je kunt zien op de kaart van de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD). Maar waar komt het woord vandaan en welke andere dialectwoorden worden er nog gebruikt voor dennenappel?

Kaart voor dennenappel in de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD)

Appels, peren en ananassen

Dennenappel, pijnappel, mastappel, sparappel … al deze woorden benoemen de kegelvormige vrucht van een naaldboom. Appel verwijst niet naar het fruit, maar naar een vrucht in het algemeen en wordt vrijwel overal in het taalgebied gebruikt. Pijnappel is dus de vrucht van een naaldboom. Denk aan het Engelse pineapple: een ananas lijkt immers op een grote dennenappel. In Oost-Nederland wordt ook dennenpeer gebruikt. Ook hier verwijst die peer naar een vrucht in het algemeen, maar ook de vorm van de dennenappel die op die van een peer lijkt is bepalend.

Karootjes

De meest voorkomende naam, na dennenappel, is kroot. Kroot(je) ­- ook krutje , dennenkroot of mastenkroot wordt gebruikt in Noord-Brabant. Kroot of de oudere vorm karote is ontleend aan het Franse carotte of het Latijnse carota wat ‘wortel’ betekent. In verschillende streken, zoals Noord-Brabant, wordt kroot gebruikt om verschillende planten van de bietenfamilie en de wortels ervan te benoemen. Een van de bekendste planten van die familie is bijvoorbeeld de rode biet. Ook hier speelt de vormgelijkenis met een wortel of een biet.

Wapper

In het westen van Oost-Vlaanderen vind je wappers. Wappers benoemen wel vaker langwerpige voorwerpen; denk bijvoorbeeld ook aan de Lange Wapper, een reus uit de Antwerpse folklore. Op verschillende plaatsen wordt wapper dan ook gebruikt voor een kegelvormige, langwerpige vrucht van verschillende planten en bomen. Ook de lisdodde met een donkerbruine langwerpige aar wordt wel eens wapper genoemd. In de middeleeuwen was een wapper een soort wapen, een stok met een leren riem waaraan een bal vasthing die rondgezwaaid werd om iemand te verwonden. Ook hier is het benoemingsmotief dus de langwerpige vorm.

Fobbige propjes, knopjes en schobjes

In Noord-Brabantse en in Gelderse dialecten hoor je fobbus en mastenfobbus. Fobbus is afgeleid van fobbig ‘kwabbig’. Het is verwant aan het 17e-eeuwse werkwoord fobbelen, wat ‘verfrommelen’ betekent. Het benoemingsmotief is hier weer de uiterlijk vorm, maar nu spelen de vele schubben van de dennenappel een rol. Ook in andere dialectgebieden worden er woorden gebruikt die verwijzen naar de ovale, kegelvorm. Knop, een rond uitsteeksel, of een blad of bloembeginsel, wordt gebruikt in het oosten van het taalgebied. Prop, top, tots en bol vind je terug in de Brabantse dialecten, kegel in Limburg.  Dennenschobje is Nederlands-Limburgs. Schobje verwijst hier waarschijnlijk naar de schubben van de dennenappel.

Slapend weermannetje

Niet alle dialectwoorden voor dennenappelverwijzen naar de vorm. In het oosten van Limburg vind je weermannetjes en weerraders. Aan de hand van dennenappels zou je namelijk het weer kunnen voorspellen. Als het regent, sluit een dennenappel zijn schubben om zijn zaadjes die tussen de schubben zitten, te beschermen. Bij mooi en droog weer zet een dennenappel zijn schubben open om zijn zaden te kunnen verspreiden. Door zijn weersvoorspellingskarakter wordt hij weermannetje genoemd. In Zeeland wordt weerappel gebruikt, in Kampen weereikel. Een keer is zelfs barometer voor dennenappel opgegeven. Hoe duidelijk kan het zijn. In Oost-Vlaanderen hoor je ook nog slaper of sparrenslaper, eveneens een verwijzing naar het openen en sluiten van de schubben naar gelang van het weer.


Meer lezen