Categorieën
Woorden weten alles

Geen excuus voor bidon collé

Wielerwoorden zijn opvallend vaak negatief, merkt Ludo Permentier. Waar zou dat door komen?

Ze mag dan al wereldkampioen zijn, voor de Italiaanse Elisa Balsamo gelden de wetten van de koers net als voor de anderen. Ze werd uit de wedstrijd Parijs-Roubaix voor vrouwen gezet nadat ze zich had bezondigd aan bidon collé. Een verwerpelijke daad, maar een pareltje uit de wielertaal.

Trucje

Het Wielerwoordenboek van Fons Leroy en Wim van Rooy legt het zo uit: “Letterlijk betekent deze uitdrukking ‘plakkende bidon’ of ‘plakkende drinkbus’; wanneer een renner pech heeft gehad, gevallen is of anderszins contact met het peloton heeft verloren, gebruikt hij soms het trucje van de ‘bidon collé’ om weer bij het peloton te geraken: hij vraagt een bidon aan zijn sportbestuurder en wordt dan, als het ware vastplakkend aan de drinkbus die hem aangereikt wordt, meegetrokken en voortgestuwd door de auto. De snelheid kan soms 80 tot 90 kilometer per uur bedragen, en als de koerscommissaris niet toekijkt, kan het proces wel enkele minuten duren.”

Het valt me op dat er erg veel ongunstige terminologie voorkomt in dat Wielerwoordenboek. En dat gaat veel verder dan de aantijgingen van dopinggebruik (aan de pillenpot zitten, cartouches, vitessepillen, amientjes, apotheek in de achterzak). Tijdens wedstrijden, en dan vooral in de slotsprint, is het ieder voor zich. Dan durven kamikazesprinters (die de regels niet volgen) elkaar flikken of piepelen (bedriegen), opnaaien (op stang jagen) of sandwichen (klemrijden).

Niet stilvallen

De weelderige wielerwoordenschat is er gekomen toen tv-zenders belangrijke wedstrijden van begin tot eind in beeld begonnen te brengen. Daar moest natuurlijk een commentaarstem bij, al was het maar om de renners een naam te geven. Maar zo’n wedstrijd duurt soms vijf uur of meer. Niet alleen is dat moordend voor de stembanden, er zit voor de commentator vaak niets anders op dan het laatste stukje achtergrondkennis uit zijn hersenen te wringen om toch maar niet stil te vallen.

Vandaar de rijkdom van de wielertaal. Je kunt niet de hele tijd zeggen dat een renner moe is. Dus probeer je het met hij gaat naar de achterkant van de wolken, hij rijdt als een dood vogeltje, hij is uitgepierd, uitgevloerd, hij heeft zijn kas leeggereden, hij heeft zijn patatten afgedraaid, hij rijdt als een gieter, als een strijkijzer, als een natte krant, als een dweil. Ze hebben pap of zaagsel in de benen, ze hebben flanellen benen. Ze fietsen achterstevoren.

Hutseflutsrenners

Er bestaan nogal wat scheldwoorden voor slecht presterende renners. Het zijn badhuiscoureurs (die naar de douches rijden voordat de zware passages van de rit eraan komen), gazettencoureurs (die veel praatjes verkopen maar weinig winnen), patattencoureurs, pelotonvullers en hutseflutsrenners.

Dat laatste woord is bedacht door renner Michael Boogerd. Soms kennen we de bedenker van die nieuwe woorden. Van de Nederlandse journalist Mart Smeets is de uitdrukking uit het eelt van zijn tenen komen (een ultieme krachtsinspanning doen). Zijn Belgische collega Michel Wuyts noemde de indrukwekkende lichaamsbouw van een renner een stevig gewelf. Wielrenner Gerrie Knetemann had het over zijn bord leegeten als het ging over renners die zich in de loop van de wedstrijd volledig uitputten. De soms enigmatische Belg José De Cauwer gaf later renners dit advies mee: eerst het bord van de tegenstrever leegeten, alvorens aan het eigen bord te beginnen. Maar wat dat betekent, zou ik u niet kunnen zeggen.


Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden van nieuwe afleveringen van WoordHoek? Schrijf u dan in voor Taalpost, de gratis e-mailnieuwsbrief van het Genootschap Onze Taal.

Ludo Permentier is journalist en auteur. Hij was docent in het middelbaar onderwijs, werkte bij Van Dale en de Taalunie en publiceerde taalboeken. Vijftien jaar lang schreef hij de taalcolumn Woorden weten alles in De Standaard.

E-mail: ludo.permentier@telenet.be