Categorieën
Woorden weten alles

Waar wonen al die mensen?

Balenaars, Madrilenen en Kolhamsters. Ludo Permentier verdiept zich in afleidingen van plaatsnamen.

Als je in Vlaanderen hoort spreken over een Balenaar dan gaat het nogal eens over de populaire oud-wielrenner Tom Boonen. Die is afkomstig uit de Kempense gemeente Balen. Toen hij in Monaco woonde (om bedrijfseconomische redenen, zullen we maar zeggen) werd hij in kranten de Monegaskische Balenaar genoemd. Ik weet niet of u de twee plaatsnamen zou hebben herkend. ‘Afleiding’ heet het taalkundig trucje waarmee we van een bestaand woord een verwant woord kunnen maken, door middel van extra lettergrepen of een klinkerwisseling.

Tom Boonen in de Ronde van Vlaanderen 2006.
Foto: Tim de WaeleCC BY-NC-SA 2.0

Om met een plaatsnaam een mannelijke inwoner een naam te geven gebruiken we onder meer de achtervoegsels -aar, -enaar of -er. Iemand van Brussel is een Brusselaar, iemand van Gent een Gentenaar, iemand van Amsterdam een Amsterdammer. Als we vrouwen willen benoemen naar hun woonplaats, moeten we het (op een enkele uitzondering na) doen met -se: een Brusselse, een Gentse, een Amsterdamse. Taalkundigen (bijvoorbeeld die van de Algemene Nederlandse Spraakkunst) krijgen grijs haar of een maagzweer als ze proberen te beschrijven wanneer we welk achtervoegsel gebruiken. Het is nog gemakkelijker een alfabetische lijst op te stellen dan er regels in te ontdekken. Gelukkig hebben taalgebruikers die regels, die lijst en die maagzweer niet nodig. Niemand probeert een man uit Antwerpen een Antwerper te noemen of iemand uit Luxemburg een Luxemburgeraar. We doen dat spontaan goed. Onze moeder heeft dat blijkbaar zorgvuldig door onze melk geroerd.

Voor sommige woorden moeten we het leren. In Kortrijk wonen Kortrijkzanen (broederlijk naast Kortrijkenaren), in Ieper Ieperlingen en Ieperaars, in Hoegaarden Hoegaardiers, in Den Haag Hagenezen (bevriend met Hagenaars), in Lelystad Lelystatters, in Caïro Caïroten, in Madrid Madrilenen, in Parma Parmezanen, in Sofia Sofioten. En zo zijn er wel meer.

Dat is nog te overzien, en de buitenmaatse vormen zijn leuk quizmateriaal. Maar wie in de krant de regionale pagina’s of de sportbladzijden leest, wordt om de oren geslagen met vormen waar alleen een gedetailleerde atlas licht op kan laten schijnen. Ze zijn niet on-Nederlands, deze formaties, maar lezersvriendelijk? Sommige verslaggevers schijnen de Nederlandse taal te beschouwen als een eindeloos rekkende bubbelgum waar je naar hartenlust de luchtbel in kunt blazen die je kwijt wil. Terwijl het bevattingsvermogen van de lezer echt wel beperkt is. Om van zijn inlevingsbereidheid nog te zwijgen.

“De ex-Retienaar liep eerder in Roemenië tegen de lamp met vijftig kilo heroïne.” “Gelenaar die vrouw wurgde blijft aangehouden.” “Overboelarenaar KvdS kwam met een wel heel bijzonder dier opdagen.” “De jonge Schellebellenaar laat zich professioneel begeleiden.” “Het is een hele kunst, moest Bottelarenaar ML toegeven.” “Voordien moesten de Kolhamsters hiervoor telkens naar naburige dorpen.” “Van der Burg mag zich geen Barinees noemen, want de eerste vijf jaar woonde hij niet in het dorp.” “Die derde plaats proberen de Deurenaars zondag te verdedigen, al moeten ze dat wel doen met een behoorlijk verzwakt elftal.”

Het is wachten tot een van de inwoners van Zeveren, deelgemeente van het Vlaamse Deinze, wereldkampioen wielrennen wordt.


Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden van nieuwe afleveringen van WoordHoek? Schrijf u dan in voor Taalpost, de gratis e-mailnieuwsbrief van het Genootschap Onze Taal.

Ludo Permentier is journalist en auteur. Hij was docent in het middelbaar onderwijs, werkte bij Van Dale en de Taalunie en publiceerde taalboeken. Vijftien jaar lang schreef hij de taalcolumn Woorden weten alles in De Standaard.

E-mail: ludo.permentier@telenet.be