Categorieën
Terug in de taal

bijleving

Na de dood van haar man braken er vroeger onzekere tijden aan voor een vrouw. Maar door het recht van bijleving had zij bestaanszekerheid.

De Verenigde Naties hebben 23 juni uitgeroepen tot Internationale Dag van de Weduwe. Met deze dag vragen zij vooral aandacht voor de situatie van weduwen in derdewereldlanden. Die worden vaak verstoten door hun omgeving, omdat zij gezien worden als de overbrengers van de ziekte waar hun man aan is overleden. En of dat nog niet erg genoeg is, hebben zij ook nog eens geen recht op wat bij ons vroeger bijleving heette. Wat bedoelden onze voorouders met dat begrip?  

Illustratie Lidewij de Bonth

Levensmiddel

De oorsprong van het woord bijleving ligt in de middeleeuwen, waar het meestal voorkomt in de spelling bilevinge of bilevinghe. Eigenlijk – zo schrijft Jacob Verdam in het Middelnederlandsch Woordenboek – is het woord gevormd van de uitdrukking leven bi iet, dat wil zeggen ‘van iets leven’. De term kwam bijna uitsluitend voor in een juridische context. Bijleving was het recht van levenslang vruchtgebruik dat in een huwelijkscontract werd vastgelegd. Als zij haar echtgenoot zou overleven kon een vrouw hier aanspraak op maken.

Een stukje Vlaanderen

Wie denkt dat het bij bijleving gaat om een klein lapje grond om wat groente op te verbouwen, heeft het mis. In 1129 meende Clementia van Bourgondië dat zij als de weduwe van graaf Robrecht II aanspraak kon maken op het graafschap Vlaanderen. Koning Lodewijk VI van Frankrijk gaf haar het advies oorlog te voeren tegen haar neef Diederik van de Elzas, de toenmalige graaf van Vlaanderen. Deze wist een gewapende confrontatie af te wenden door zijn tante een derde deel van Vlaanderen als bijleving te beloven, aldus de Kronyk van Vlaenderen.

Voordeel trekken

Er waren vroeger verschillende woorden in omloop voor de bestaansmiddelen waarmee een weduwe in haar levensonderhoud kon voorzien, zoals leeftocht en het meer gebruikelijke lijftocht. Het gemeenschappelijke tweede deel tocht is afgeleid van een oud Middelnederlands werkwoord tiën dat ‘trekken’ betekent. Een weduwe trekt namelijk voordeel uit een som geld, rente of goederen die juridisch gezien niet haar eigendom zijn maar waar zij wel gebruik van kan maken.

Oud geld?

Een vrouw van wie de man is overleden noemen we een weduwe, behalve wanneer zij getrouwd is geweest met bijvoorbeeld een vorst, graaf of hertog. In dat geval duiden we haar aan met het chique Franse douairière, een term die vaak ook als titel werd gebruikt. In de oudere taal komen we daarnaast vormen tegen als douagiere, duwagiere en duwagierege. Daarin ligt het woord duwarie of duware besloten, dat is afgeleid van het Franse douaire, een gift die een vrouw bij haar huwelijk ontvangt of die zij krijgt wanneer haar man vóór haar komt te overlijden. Het Nederlandse equivalent daarvoor was weduwgoed of ook wel weduwgift. Tot in de zeventiende eeuw beschikte het Nederlands voor dit geoormerkte geldbedrag eveneens over het minder hard klinkende woord morgengave, omdat de bruidegom de schenking toezegde op de ochtend na de eerste huwelijksnacht.