Categorieën
Terug in de taal

moederzoon

Overspel in de middeleeuwen bracht niet alleen kinderen maar ook bijzondere woorden voort.

De UNESCO – United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation – heeft 21 februari uitgeroepen tot de Internationale Dag van de Moedertaal. Die datum is niet willekeurig gekozen. Op die dag in 1952 werden twee studenten uit Bangladesh doodgeschoten. Dat gebeurde tijdens een demonstratie om hun moedertaal, het Bangla, officieel erkend te krijgen.

Met moedertaal bedoelen we doorgaans de taal waarin je hebt leren spreken. Het woord heeft de laatste tijd enige kritiek te verduren gehad. Moedertaal impliceert namelijk dat een kind zijn eerste taal uitsluitend leert van zijn moeder, terwijl de vader tegenwoordig een steeds grotere rol speelt bij de opvoeding en de taalontwikkeling van zijn kind. Daarnaast geeft het Woordenboek der Nederlandsche Taal nog een andere, minder bekende en minder gebruikelijke betekenis: ‘een taal waar andere talen uit zijn voortgekomen’, zoals het Latijn waaruit de Romaanse talen zich ontwikkeld hebben.

Desiderius Erasmus, een bekende papenzoon, door Hans Holbein [via Wikimedia Commons]

Onecht kind

In de historische woordenboeken van het Nederlands zijn honderden samenstellingen te vinden waarvan het eerste deel met moeder- begint. Een van die woorden is het Vroegmiddelnederlandse woord moedersone. Zou het betrekking hebben op de lievelingszoon van een moeder, net zoals een moederskind het kind is waarvan de moeder het meeste houdt? Nee, niet echt. Een moederzoon is een kind waarvan alleen de moeder bekend is. Het is een onecht kind, dat wil zeggen een buiten de echt (‘het huwelijk’) verwekt kind. Met een minder vriendelijk woord: een bastaard. Nog onvriendelijker klinkend en in de middeleeuwen in gebruik als scheldwoord was hoerensone – de Engelse tegenhanger is in informeel taalgebruik nog altijd veelvuldig te horen. Minder gebruikelijk was de vrouwelijke pendant hoerendochter.

Overspel

Naast deze onechte zonen en dochters kenden de middeleeuwers ook nog de keefszoon, de keefsdochter en het keefskind. Het eerste deel van deze samenstelling gaat terug op het zelfstandig naamwoord kevese, dat eerst zowel ‘bijvrouw’ als ‘overspel’ kon betekenen, maar later alleen de tweede betekenis had. En hoewel priesters zich eigenlijk moesten houden aan het celibaat, gebeurde het wel eens dat zij een scheve schaats reden. Aan dit ongeoorloofde gedrag danken wij de woorden papenzoon, papendochter en papenkind. Ons overzicht met onwettige kinderen uit de middeleeuwen besluiten we met het kempkind, dat is geboren uit een kempe, een vrouw die met een man leeft zonder met hem gehuwd te zijn. Ook bekend als een bijzit of concubine.

Hoewel al deze woorden aanduidingen zijn voor onechte kinderen – gekscherend kun je ze “bastaardwoorden” noemen – behoorden de woorden zelf wel degelijk echt tot onze moedertaal.