Categorieën
Terug in de taal

overlijder

Alle mensen zijn sterfelijk, maar niet iedereen lijkt lijdzaam op zijn einde te wachten.

Spinnenwebben, skeletten en uitgeholde pompoenen: op 31 oktober was het Halloween. Deze van oorsprong Angelsaksische feestdag heeft de afgelopen jaren ook elders in de wereld aan populariteit gewonnen. De middenstand springt daar handig op in met prachtig versierde etalages en schappen vol huiveringwekkende kostuums en producten, terwijl eng geschminkte kinderen in met nepbloed besmeurde kleren van deur tot deur gaan om snoepjes te bemachtigen.

Herfstbladeren, foto Jorn Idzerda via Creative Commons

Heiligen en zielen

De naam Halloween is afgeleid van All Hallows Eve – in het Nederlands Allerheiligenavond. Het is de avond die voorafgaat aan Allerheiligen op 1 november. Deze rooms-katholieke feestdag was in 835 door paus Gregorius IV ingesteld om alle heiligen te vereren. De daaropvolgende dag staat sinds de 13e eeuw bekend als Allerzielen, maar het gebruik van de rooms-katholieken om op die dag hun dierbare overledenen te herdenken is al enige eeuwen ouder.

Ergens heen trekken

Hoewel er sinds mensenheugenis mensen sterven, is het woord overledene – vroeger ook wel gespeld als overleden – betrekkelijk jong. De oudste bewijsplaats van dit woord in de online Historische Woordenboeken dateert pas van 1577. Het is het zelfstandig gebruikt voltooid deelwoord van het werkwoord overlijden, dat al in de 10e eeuw voorkomt in het Nederlands.

Hoe kan het nu dat het woord overledene voor ‘gestorven persoon, afgestorvene’ pas vijf eeuwen later voor het eerst voorkomt? Dat heeft te maken met de betekenisontwikkeling die het werkwoord overlijden heeft doorgemaakt. Het Oudnederlandse overlīthan had aanvankelijk alleen de letterlijke betekenis van ‘ergens overheen trekken’, bijvoorbeeld een rivier. In de vroege middeleeuwen krijgt het werkwoord ook de betekenis ‘overgaan’ of ‘komen in een andere toestand’. Maar de meer specifieke betekenis ‘overgaan tot een ander leven’ – ons tegenwoordige ‘overlijden’ – komt pas tegen het midden van de vijftiende eeuw in zwang.

overlijders en overlevers

Die betekenis ligt ook ten grondslag aan het weinig gebruikelijke woord overlijder, dat aan het begin van de 16e eeuw voorkomt voor iemand ‘die overlijdt, overledene’. Anders dan het woord overledene, dat eerder een passieve toestand beschrijft, lijkt bij het woord overlijder – en dat komt door de uitgang –er – de persoon in kwestie actief betrokken te zijn bij zijn eigen sterven. Iets vergelijkbaars doet zich voor bij het normale woord overlevende en het ongewone overlever.  Zoals een bakker bakt en een strijder strijdt, zo overlijdt een overlijder en overleeft een overlever. Maar uiteindelijk zullen ook de laatsten het tijdelijke met het eeuwige verwisselen, want zoals Franciscus van den Werve in 1686 al schreef:

wy reysen altemael, de doodt is seker, de ure on-seker