Categorieën
Terug in de taal

paaskoe

Hazen, kippen en lammeren zijn dieren die echt bij Pasen horen. Maar wat was een paaskoe?

Waar komen de paaseieren vandaan? Daarover bestaat verschil van mening. Katholieken beweren dat ze uit Rome komen. Na de mis op Witte Donderdag – de dag waarop herdacht wordt dat Jezus met zijn twaalf leerlingen de laatste avondmaaltijd gebruikte – zijn alle klokken naar die stad vertrokken om op paaszondag de uit Rome meegebrachte eieren uit te werpen.

De protestanten hechten geen geloof aan deze klokkentheorie. Zij zouden de paashaas als brenger van de eieren hebben geïntroduceerd. Een ‘eierrondbrengend’ beest komen we overigens ook onder katholieken tegen. In Noord-Brabant vertelde men dat de paaseieren waren neergelegd door de paashen, de paashaan, de paasvogel en het paaskonijn. Maar wat doet de paaskoe?

Illustratie door Lidewij de Bonth

Paasvlees

In elk geval geen eitjes rondbrengen met Pasen. Daar kreeg zij ook de kans niet toe. Een paaskoe is namelijk ‘een tegen Pasen geslachte koe’. Haar gecastreerde mannelijke soortgenoot verging het niet beter: ook de paasos werd voor dit feest vetgemest. Aan het eind van de 19e eeuw duiken in kranten geregeld advertenties op voor “prachtige”, “extra zware jonge” of “buitengewone zware vette” paaskoeien. Na de slacht konden klanten zich in de etalages van de slagerijen vergapen aan het tentoongestelde paasvlees.

Optocht

In bepaalde streken in Nederland hadden slagers een bijzondere manier om hun paasvee aan de man te brengen: zij versierden de vette koe of os en leidden het dier rond door het dorp, al dan niet voorafgegaan door een trommelaar. Soms loofde een slager een prijs uit aan de persoon die het gewicht van een paaskoe wist te raden, meestal een rollade.

De Limburger koerier van 22 maart 1894 geeft ons een goede indruk hoe dat paasbeest eruit kon zien: 

“Prachtig met krans, groen, bloemen en veelkleurige linten versierd, prijkten de horens bij gebrek aan sinaas-appelen met een stel krentebollen, hetgeen niet weinig den lachlust in de verschillende straten gaande maakte.”

Paaspaard

Van de schrijfster Henriëtte van Eyck verscheen in De Zaanlander van 8 april 1950 het verhaal Het Paaspaard. Een blijmoedige Paasvertelling. Daarin verhaalt zij over een bijeenkomst van de Paasdierenbond – paaskippen, paashazen en paaslammeren – waarin een paaskoe lelijk uitvaart tegen de merrie van de bakker, die zichzelf had uitgeroepen tot paaspaard. Maar dan niet in de betekenis die het Woordenboek der Nederlandsche Taal eraan geeft (‘een paard dat op de palmpaaspaardenmarkt wordt verkocht’), maar in die van een paard dat met Pasen in het middelpunt van de belangstelling staat.

In dit verhaal behoedt het zelfbenoemde paaspaard de paaskoe voor een vroegtijdige dood door het slagersmes. Aanvankelijk is de paaskoe dankbaar, maar later gaat zij kwaad spreken over de merrie, die daarop met stille trom vertrekt. En de paaskoe zelf? Die is na 1960 geruisloos uit Nederland en daarmee ook uit het Nederlands verdwenen.