Categorieën
Terug in de taal

springtijd

De lente is aangebroken. Wanneer ontstonden de woorden voor dit seizoen eigenlijk?

Als de narcissen ons met hun gele gezichten vrolijk toelachen en de bloemen van de magnolia zich uit hun omhulsel wurmen, is het einde van de koude en donkere winter in zicht. Ook de dieren maken zich op voor een nieuw begin. Krolse katten houden de buurt wakker met hun klaaglijk gemiauw, dat schrikbarend veel lijkt op een in de steek gelaten baby. Ook meerkoeten houden bij hun jacht op een partner geen rekening met slapende mensen. Het harde geklik van hun snavels waarmee zij als een fregatschip over de sloten surveilleren, kan niet op ieders sympathie rekenen. Maar als tegelijkertijd de merels zingen, de temperaturen oplopen en de zon zich steeds vaker aan ons vertoont, nemen we dit alles graag voor lief: het is lente!

Magnolia, foto van Hans via Pixabay

lentinmanoth

De lente wordt beschouwd als het eerste van de vier jaargetijden – aan kalenderjaren laat de natuur zich weinig gelegen liggen. In de vorm lentin komt het woord al sinds de 13e eeuw in het Nederlands voor. Jacob van Maerlant sprak in Der Naturen Bloeme van lentintijt ‘lentetijd’. En in zijn Rijmbijbel lijkt hij een enkele maal ook de naam voor de vijfde maand van ons kalenderjaar – mei – te gebruiken om het voorjaar aan te duiden. Dat is tamelijk vreemd. Als er één maand is die wij associëren met de lente is het maart. Niet voor niets stond maart in het Oudnederlands al bekend als de lentemaand (lentinmanoth), de maand waarin de lente begint. 

lange dagen

Hoewel ook in de latere middeleeuwen mei en meitijd (Fries nog steeds: maitiid) nog gebruikt worden als synoniem voor dit jaargetijde, zijn lenten en lente de meestgebruikte vormen en lenter een bijzondere. Over de oorsprong van het woord lente zijn etymologen niet geheel zeker. Vermoedelijk is het woord terug te voeren op een protogermaanse vorm *langa-tina, die letterlijk ‘lange dagen’ betekent. Ook op de vraag waar de uitgang –er in lenter vandaan komt, verkeren ze in het ongewisse. Misschien – zo opperen zij – is die onder invloed van vormen als winter en zomer aan lente toegevoegd.

voor en voor

In het Middelnederlands bestond het woord voorjaar ook al. Wel had het toen een ruimere betekenis dan tegenwoordig. Met voorjaar duidden de middeleeuwers – net als nu – het begin van de lente aan, maar ze gebruikten het ook om te verwijzen naar een jaar dat al voorbij was. Ook in het woord voorzomer komen we twee betekenissen van voor tegen. Voor kan slaan op het eerste deel van de zomer, dat voorafgaat aan het warmste gedeelte ervan, maar voor kan ook wijzen op het jaargetijde vóór de zomer, de lente dus.   

Engelse invloed?

Het laatste woord voor lente is het bijzonderst: springtijd. Het komt als het lemma sprinctijt voor in het Middelnederlandsch Woordenboek. Citaten van middeleeuwse schrijvers worden er niet gegeven. De enige bron waarin het woord voorkomt is trouwens een zestiende-eeuws woordenboek van Cornelis Kiliaan en hij noemde het toen al verouderd. Maar uitgestorven was het niet, want in 1613 gebruikte Philibert van Borsselen het nog in zijn gedicht Den Binckhorst. Het woord spring in de betekenis ‘lente’ treffen we één keer aan in de historische woordenboeken, maar dat is volgens het WNT misschien een anglicisme. Maar misschien ook niet, want het Engelse spring is nauw verwant met ons werkwoord springen, dat onder andere ‘ontstaan’ betekent.