Categorieën
Uit de streek

bisbabel

In het zuidelijke deel van Belgisch-Limburg heet de meikever ‘bisbabel’. Waar komt het woord vandaan en welke andere woorden bestaan er nog meer voor deze kever?

Hoor jij de bisbabels ’s avonds ook wel eens tegen de ruit tikken in de maand mei? Dan woon je ongetwijfeld in de buurt van Maaseik. Een bisbabel is een meikever en die krijgen we – zo schrijft Het Nieuwsblad op 31 mei – dit jaar pas eind mei te zien: “de warmte lokt de meikevers naar buiten. Ze beleven momenteel een hoogtepunt, wat eigenlijk rijkelijk laat is.” In het zuidelijke deel van Belgisch-Limburg heet de meikever bisbabel. Maar waar komt het woord vandaan en welke andere woorden bestaan er nog voor deze kever?

Foto: Ville Mononen –  CC BY-NC 2.0

Bisbabel

Op de kaart van de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD) zijn bijna tweehonderd woorden te vinden voor de meikever. In de buurt van Maaseik heb je bisbabels, bizzebabels, biezebabels en misbabels, alle afgeleid van een Waals woord voor de meikever: balou of bisbalou. Misbabel toont een m/b-wisseling, die je wel vaker ziet in de dialecten: in mesanden en besanden ‘hinderen’ of in marmiet en bermiet ‘emmer’ bijvoorbeeld.

Molenaars en bakkers

Omdat het lijkt alsof de witte meikever met een laagje witte bloem overdekt is, krijgen meikevers in heel wat dialecten in het Nederlandse taalgebied de naam van de molenaar. Voorbeelden zijn meulenaar, molenaar, maalder, mulder of molder. Vaak krijgen de woorden nog een specificerend deeltje aan de voorkant. Dat is bijvoorbeeld het geval met het Limburgse eikenmulder. Andere namen zijn boommulder, hegmulder of hagenmulder. Meikevers zijn namelijk dol op de blaadjes van eiken en van haagbeuk. Later kregen ook andere – donkere – meikevers die naam. Hetzelfde benoemingsmotief vind je trouwens bij bakker(tje) in het zuidwestelijke deel van het taalgebied. Een bakker heeft net als de molenaar een laagje meel over zijn kleren.

Eikenvreters

In het noordoosten van Nederland zijn vooral namen met eik in het eerste deel bekend. Die namen verwijzen naar het feit dat meikevers graag de bladeren van de eik eten. We kenden de eikmulder al maar ook eikelvretter, eikelbrommer, eikelworm en eikronker zijn in gebruik.

Preekheren en predikanten

Predikanten en paters zijn ook favoriete namen voor de meikever, in allerlei varianten. De meikever slaat immers zijn vleugels open als hij wil wegvliegen en die handeling wordt vergeleken met een predikant die bij het preken de armen openslaat. Het bewegen van de vleugels voor het opvliegen wordt ook wel eens preken genoemd. Ook de wit-zwarte kledij van de dominicaan speelt misschien mee in de naamgeving. Met datzelfde motief zijn ook de namen preekheer, preekadeer, preekmadeel, preekmeneer, preker, preekaard, pastoortje, onderpaster en kapucijn te verklaren.  Het preken van de meikever heet verder ook nog bidden en pompen, maar ook (geld) tellen of oordjes tellen. En dan begrijp je ook waarom de Zeeuwen de meikever ook wel eens een (piepe)tollenaar noemen.

Ronkers

Meikevers maken een brommend geluid. En ook dat wordt in dialecten gebruikt als benoemingsmotief: ronker en eikenronker, ronkaard, ruller, eikrulder, averulle enz. Dat laatste woord herken je misschien wel: het is de naam van een gedicht van Guido Gezelle. Op Goeree noemen ze de meikever horrekoe. Ook horren verwijst naar het geluid; het betekent immers ‘snorren, brommen’.

Kinderspelletjes

Kinderen kunnen wreed zijn in hun spel, meikevers waren vroeger dan ook een geliefd spelobject. Kwajongens durfden wel eens een touwtje aan de poot van een meikever vastmaken, en lieten hem zo opvliegen. Dat de meikever niet ver raakte en daarna het gras in dook, vind je in namen als grasduiker (in het Zeeuws gosduker). Om de aan een touwtje gebonden meikever tot vliegen aan te sporen werd er vaak een liedje gezongen: Meulenaar tel je geld en gaat dan nog eens vliegen anders komen de dieven. Het liedje wordt niet overal op dezelfde manier gezongen; het kent wel wat andere varianten.

Meikever

Dat de kever vooral in mei – in een warm voorjaar zoals in 2020 al in april, maar in een kouder voorjaar zoals in 2021 pas eind mei, begin juni – rondvliegt, is te horen in de standaardtalige benaming meikever.  Er bestaan trouwens ook junikevers. De tijd van het jaar waarin dieren of planten verschijnen zie je vaker terug in de namen. Denk maar aan herfstmug (‘langpootmug’), paasbloem (‘narcis’), pinksterbloem, meizoetje (‘madeliefje’) en maart- of aprilbloem (‘sleutelbloem’).