Categorieën
Uit de streek

doef

Lommerig, maf, dompig, vort en doef: dialectwoorden voor ‘benauwd weer’.

Vorig weekend was het eerste officiële zomerweekend van dit jaar. Het was misschien wel zomers warm, maar de zon verschool zich achter wat grijze wolken. Meestal voelt het dan drukkend of broeierig, een beetje benauwd of zwoel. Allemaal woorden die je in het Nederlands kunt gebruiken om dit weertype te benoemen. Maar wat hoor je zoal in de Zuidelijk-Nederlandse dialecten?

Foto: CipherNCC BY-NC 2.0

Doef en dof

In de Vlaamse dialecten hoor je vaak dat het weer doef is, in het Brabants en ook wel in het Limburgs hoor je dof. Dof betekent in het Nederlands ‘niet helder, mat, lusteloos’. Het is een verkorte vorm van doof dat in het Middelnederlands zowel ‘gevoelloos, doof (gezegd van personen)’, als ‘dof en dor (gezegd van zaken)’ kon betekenen. De variant duf bestaat ook, maar komt in de weer-betekenis veel minder voor. De oorspronkelijke betekenis is wel wat verschoven naar ‘drukkend, benauwd’, weer waar je loom, of dus duf of dof van wordt. In de westelijke dialecten werd dof doef.  Hier en daar hoor je ook doevig. Die loomheid die je op zo’n dag voelt, wordt ook weerspiegeld in lomig, lommerig en het Zeeuwse lomerig.

Laf en maf

Vaak hoor je in de Zuidelijk-Nederlandse dialecten ook laf voor dit soort weer. Laf is in het Nederlands ‘vreesachtig, zonder durf’ maar ook ‘flauw van smaak’. In combinatie met weer komt laf al zeker vanaf 1600 voor. Wat de precieze herkomst is, is niet helemaal duidelijk. Sommigen vermoeden dat het iets met ‘slap hangen’ te maken heeft. Zo voel je je immers als het broeierig heet is. Hier en daar hoor je ook laffig of labberachtig.In Antwerpen zeg je ook maf of moef als het broeierig warm is. Maf zou een variant kunnen zijn van laf of van muf. Het betekende vroeger ‘slap, moe’. Ook maffen in de betekenis ‘slapen’ hoort hier bij.

Zoel en zwoel

Zoel hoor je in de oostelijke helft van het zuidelijke taalgebied. Zwoel is standaardtaal, maar is niet onbekend in sommige dialecten. Het gebeurt wel vaker dat woorden met zw de w verliezen, vooral voor klinkers die met geronde lippen worden uitgesproken, zoals de oe. Denk aan het Engelse sweet tegenover het Nederlandse zoet. En ook zoen is afgeleid van een ouder woord met een w erin. Zwoel kon dus zoel worden in sommige dialecten, zoals het Limburgs en het Brabants. In West-Vlaanderen hoor je soms ook zoelde, zwoelig en smoel. De herkomst van het woord zwoel zoeken taalgeleerden in een ouder werkwoord zwelen met de betekenis ‘verbranden, verzengen’.

Voos, vadsig en vort

In Noord-Brabant zeg je ook wel eens dat drukkend weer voos is. Voos kan ook ‘lui’ betekenen en ‘verdorven, vuil’. Iets dat bedorven is, is week of slap. Dat slappe zagen we ook al in enkele andere woorden voor dit drukkende weer. Je voelt je in dergelijk weer slap, lusteloos of lui. Die luiheid voel je ook in vadsig, een versterkende vorm van vaddig ‘slap’. In het uiterste zuidwesten van het taalgebied wordt dit weer vaak als vort aangeduid. Vort is in de dialecten vooral bekend in de betekenis ‘rot’, zoals in vort fruit bijvoorbeeld. Gecombineerd met weer denk je in eerste instantie aan vuil en nat weer, maar het kan dus ook wel eens betekenisverenging ondergaan en voor drukkend, benauwd weer gebruikt worden, vooral in het westen van West-Vlaanderen. Een onweersbui, of nattigheid in het algemeen, is trouwens meestal niet veraf bij dit soort weertype.

Bang

Ook bang weer komt voor. Bij bang denk je eerder aan ‘schrik’ dan aan drukkend of benauwd weer. Het wordt vooral in het noorden van West-Vlaanderen en in het Waasland gebruikt om dit weertype te omschrijven. Bang wordt in het Nederlands – althans vroeger – ook wel gebruikt in de betekenis ‘benauwd, misselijk’ of ‘beklemd op de borst’. En daar past bang weer bij. Je voelt je als het ware beklemd door de drukkende hitte.

Wassig en dompig

Dat drukkende, broeierige weer zorgt ervoor dat planten goed groeien of wassen. Dergelijk weer is dus wassig, gewassig, wasselijk of wasbaar; anderen noemen het groeizaam weer. In Limburg bestaat naast allerlei andere woorden ook dompig of dompetig om drukkend weer te benoemen, eerder zeldzaam hoor je dampig. Domp is een dialectische nevenvorm van damp. Dompig betekent dus ‘nevelig, mistig’.  Drukkend weer voelt immers vaak vochtig en benauwd aan.