Categorieën
Uit de streek

eperus

Eperus, djest, stekelvarken: namen voor een inheems dier. Geprikkeld?

De maand mei is dit jaar wel heel droog geweest! En dat heeft niet alleen gevolgen voor landbouwers, maar ook voor dier en mens. De laatste tijd worden dan ook veel egels bij de dierenopvang binnengebracht met uitdrogingsverschijnselen. Ze komen door de droogte niet aan voedsel. Slakken en wormen zitten immers ver onder de grond. In mijn dialect in het zuiden van Oost-Vlaanderen tussen Schelde en Leie heet de egel eperus, zoals je kunt zien op de kaart van de Database van de Zuidelijk-Nederlandse dialecten. Maar waar komt dit mysterieuze woord vandaan?

Eperus

Niet iedereen in mijn streek zegt eperus; sommigen noemen de egel eberus, euperus of epelrus. De vorm met eber- komt voor in de dialecten waar men de p tussen twee klinkers als b uitspreekt.

In oorsprong zijn al deze vormen samenstellingen, waarvan het tweede deel urs is, waaruit de r vóór s is weggevallen. Het eerste deel, eper, kan een afstammeling zijn van aper, de Latijnse naam voor het everzwijn, maar ook van het Franse éperon, een benaming voor allerlei stekelachtige dingen. Letterlijk zou eper-us dan ‘stekel-egel’ betekenen.

Urs

Het tweede deel urs komt ook zonder eper- voor in de dialecten van Zuid-Oost-Vlaanderen. Je hoort er onder andere (h)uts/(h)urs/ert/ers(e) en djest. Al deze vormen zijn vervlaamsingen van het Franse woord hérisson, dat van het Latijnse ericius ‘egel’ afstamt. In de naburige Vlaamse dialecten werd hérisson aan het eigen dialect aangepast: het woordaccent verschoof naar de eerste lettergreep, waardoor de tweede verzwakte tot -se, zoals in erse, of ineenschrompelde tot alleen de -s nog overbleef, zoals in urs. Soms werd daar nog een –t- ingevoegd, vandaar urts, wat verder werd vervormd tot (h)urst, uts en zelfs (h)ert. De variant djest ten slotte is ontleend aan het Henegouwse woord iérgon, dat op de Waalse egelkaart inderdaad aan het djest-gebied grenst.

Stekelvarken

Het meest frequente woord in de Nederlandse dialecten is stekelvarken. Die naam is wel verwarrend, want er bestaat ook een ander stekelvarken, namelijk het grote knaagdier met zwart-witte stekels van 30 tot 40 cm. De egel kan je als zijn kleine broertje beschouwen, omdat hij net als het stekelvarken stekels heeft, zij het veel kortere. In Friesland vind je de vergelijkbare naam met barg in plaats van varken.

Everzwijn

Al even verwarrend is de Frans- en West-Vlaamse benaming everzwijn, ook al de naam van een ander gevaarlijker dier, met een borstelachtige vacht. Het is de voorloper van het gewone varken en wordt vaak ook wild zwijn genoemd. Dat onze voorouders de egel een soort van varken noemden, kan geen verwondering wekken, want ze lijken wel wat op elkaar. De naam everzwijn is ongetwijfeld op grond van vergelijking met het wilde zwijn, dat we vandaag nog altijd everzwijn noemen, ontstaan. Het woord ever betekent op zichzelf al ‘wild zwijn’. Op een bepaald moment van de taalgeschiedenis heeft men daar het woord zwijn aan toegevoegd, waarschijnlijk ter verduidelijking, maar het is dus eigenlijk dubbelop.

Egel

De naam egel zelf vinden we ook vaak terug, maar enkel in de Brabantse dialecten is het het enige woord, samen met pinegel. In Nederlands-Limburg hoor je ook varkensegel en kroe-egel. Misschien gaat het woord terug op een verdwenen werkwoord eggen in de betekenis ‘prikken’ met een achtervoegsel –el. Dat gebeurde wel meer, denk bijvoorbeeld aan krekel. Een egel is dus een dier dat prikt.

Meer lezen

  • Dialectwoorden voor egel in de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD)
  • Woorden voor egel in de woordenbanken e-WND en woordenbank.be 
  • Woorden voor egel in de Etymologiebank
  • Egel in de kaartenbank
  • Devos, M. en V. De Tier (2000). De egel in de Vlaamse dialecten. In: WVD-Contact 14 (2), blz. 28-36.
  • Devos, M. en V. De Tier (2000). De Zuid-Nederlandse benamingen voor de Egel. In: Nochtans was scherp van zin: een bundel artikelen aangeboden aan Hugo Ryckeboer voor zijn 65ste verjaardag, Universiteit Gent – Vakgroep Nederlandse Taalkunde, blz. 193-211.