Categorieën
Uit de streek

heulenteer

Heulenteer is een dialectnaam voor de vlier. Waar komt het woord vandaan en welke woorden zijn er nog meer voor deze struik?

Heulenteer, het lievelingswoord van een van onze Limburgse vrijwilligers die meehelpt aan de dialectwoordenbank, is een dialectnaam voor de vlier (Sambucus nigra). Deze struik heeft kleine, witte bloemen met een opvallende geur. De rijpe, zwarte besjes hangen in trossen naar beneden. De meeste mensen zullen de vlier kennen van vlierbessensiroop en vlierbloesemthee. Vlierbloesem wordt ook gebruikt als toevoeging bij een glas champagne of gin en in mocktails (cocktails zonder alcohol). En vroeger werden de takken van de vlier door kinderen uitgehold en als fluitje of proppenschieter gebruikt.

Foto: Pixabay

Van heulenteen tot hullender

De dialectnaam heulenteer komt vooral voor in het zuiden van Belgisch- en Nederlands-Limburg en het aangrenzende Vlaams-Brabant, zoals te zien is op deze kaart in de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD). Het woord klinkt niet overal hetzelfde, vooral het tweede deel wordt vaak sterk vervormd: teul, teen, tul, teun, teut, etc. In het eerste deel beperkt de variatie zich vooral tot de klinker: hol, heul en hul. Behalve heulenteer zelf hoor je in die regio dus ook heulenteul, heulenteen, heulenteulder, hullentul, hulleter, heunenteun, heulenteut, heutelenteut, holenteer, holender en hullender. De laatste vormen tonen veel gelijkenissen met het Hoogduitse Holunder. Woorden waarvan de gebruikers niet meer precies weten wat het betekent, worden vaak gemakkelijk vervormd.

Boom

Waar kómt heulenteer dan eigenlijk vandaan? Het tweede deel van heulenteer is het Middelnederlandse tere, dat ‘boom’ betekent. Dat teer is ook de voorloper van het Engelse tree. In de DSDD vinden we nog enkele andere namen van struiken die in het dialect als tweede deel teer hebben: eikelenteer ‘eik’, esselteer en harenteer ‘esdoorn’, beukenteer, heggenteer, herenteer ‘haagbeuk’, hazelteer ‘hazelaar’, timpelteer ‘hondsroos’ en ‘kornoelje’ etc. Ook der in holender en hullender betekent ‘boom’. Zowel der als teer gaan terug op het Germaanse dra ‘boom’.

Zwart geultje

Over het eerste deel heul of hol doen verschillende theorieën de ronde. Sommige taalkundigen denken dat het eerste deel iets te maken heeft met hole ‘riooltje, geultje’ omdat de vlier mergkanaaltjes in zijn takken heeft. Dat maakt het hout zeer geschikt voor het maken van de eerder genoemde proppenschieters. Anderen denken dat vooral de zwarte kleur van de bessen hier het benoemingsmotief is. Het stamwoord zou in dat geval verwant zijn aan de Scandinavische woorden voor vlier (hyld, hyll en hylle) en teruggaan op het Griekse kelainos ‘zwart’.

Andere vlieren

In de rest van Nederland en Vlaanderen hoor je behalve het standaardwoord vlier verder nog vliender, vlaar, vledder, flieder, fliender, vliering. Der in vliender, vledder, flieder en fliender is hetzelfde der als in holender en betekent dus ‘boom’.

Sterkenburg, P. van (1975), Het Glossarium Harlemense. Een lexicologische bijdrage tot de studie van de Middelnederlandse lexicografie. ‘s-Gravenhage.