Categorieën
Uit de streek

merbelkute

Naast dialectwoorden voor knikker bestaan er ook verschillende namen voor het knikkerkuiltje, zoals merbelkute, lots, boedeltje en mokje.

Heb je al eens gehoord van kuutjeknippen, knipsen, snippen of huiven schieten? Dat zijn namen voor knikkerspelletjes. Tegenwoordig is knikkeren minder populair, maar vroeger werden er veel verschillende knikkerspelletjes gespeeld: je kunt met een knikker mikken op een andere knikker, of je kunt een knikker naar een merbelkute of een knikkerkuiltje schieten. Er bestaan honderden dialectwoorden voor een knikker, maar ook voor het kuiltje is er wel wat variatie. Merbelkute is een van die woorden, maar ook lots, boedeltje en mokje worden gebruikt om zo’n knikkerkuiltje te benoemen. Waar komen die dialectwoorden vandaan en waar worden ze gebruikt?

Klitsputje en mikkuiltje

Putjes en kuiltjes komen het vaakst voor in de Zuidelijk-Nederlandse dialecten. Beide zijn ook standaardtaal om een gat in de grond te benoemen. Ze worden in de betekenis ‘knikkerkuiltje’ vaak voorafgegaan door een woord voor de knikker zoals klis of merbel/marbel of door een werkwoord in de sfeer van ‘gooien’. Woorden voor de knikker zelf verwijzen dikwijls naar het materiaal waaruit een knikker gemaakt is. Soms zijn ze klanknabootsend. Meer namen voor knikkers vind je in de nieuwe rubriek Streektalen in het eerste nummer van het tijdschrift Onze Taal van 2024. Putjes vind je zowat overal in het zuidelijke taalgebied, kuiltje en de uitspraakvarianten kuultje, kulegie(n), koeltie of koelegie worden vooral gebruikt in Noord-Brabant en in de beide Limburgen. Andere algemene woorden die her en der voor het kuiltje gebruikt worden, zijn gat of hol.

Kotjes, kuitjes, mokjes en potjes

In het Zeeuws wordt het kuiltje kute of kuutje genoemd, rond Eindhoven kom je kuitje tegen. In Limburg wordt kotje gebruikt. Zijn deze woorden verwant aan het Duitse kute of het Rijnlandse kaute wat ‘kuiltje, groef’ betekent? Kuit of kuut wordt in de Nederlandse dialecten ook nog wel voor andere uithollingen gebruikt, zoals voor een hazenleger of een lege konijnenpijp. Kot zou uiteraard ook kunnen verwijzen naar een getekend vierkant op de grond. In Brabant wordt hiervoor soms pot gebruikt. het hangt dan samen met een bepaalde speelwijze, waarbij niet naar een kuiltje werd gemikt, maar naar een rondje (of vierkantje?) dat in het zand getekend was. Potgooien, potje pikken, op de pot mikken of zelfs gewoon potten zijn namen voor dat spel.

Het West-Vlaamse mokje hoort hier ook een beetje thuis. Een mok is een kroes, een potje waaruit je kunt drinken. Kroes zelf is volgens het West-Vlaams Idioticon eveneens een naam voor het kuiltje. Het Limburgse boe(de)ltje is hetzelfde woord als buidel – denk aan geldbuidel. Meestal betekent het ‘zak’ maar het woord buidel is oorspronkelijk afgeleid van een woord met de betekenis ‘ronding, bollig’.

Of het Limburgse lotsje en botsje ook hier thuishoren, weten we niet zeker. De etymologie is ons onbekend.

Snippen, knippen en krallen

Naast de vele benamingen voor knikkerkuiltje en de knikker zelf (zie bijvoorbeeld Onze Taal), variëren ook de benamingen voor het knikkerspel waarbij men met de knikker naar het knikkerkuiltje moet mikken. In Drenthe snippen ze. Elke speler werpt vijf knikkers vanachter een streep in het kuiltje dat vier meter verder ligt. Je maakt met de duim die eerst tegen de wijsvinger zit een verende beweging tegen de knikker om die in het knikkerkuiltje te schieten. Snippen verwijst naar die beweging. Ook In het Zeeuws-Vlaams gebruiken ze een bewegingswerkwoord: knipsen of knippen, afgeleid van knijpen. In Twente heet het gewoon kulen. In Utrecht wordt het kuletjekeizeren. In Deventer bestond naast potgooien ook nog krallen. Dat was het spel dat meisjes speelden waarbij ze letterlijk met kralen schoten en niet met knikkers. En her en der hoor je stuiken, stuken of stoeken. Variatie troef dus in de knikkerwoordenschat.


Meer lezen