Categorieën
Uit de streek

wegenscheetje

Wegenscheetje is een dialectnaam voor een zweertje op je ooglid. De naam verwijst naar een oud volksgeloof.

Ooit al eens last gehad van een strontje? Je weet wel, een zweertje op je ooglid door een ontsteking van een traanklier. Sommigen noemen het ook gerstekorrel, maar dat is in de medische wetenschap iets anders: een klein wit (niet-pijnlijk) vetbultje als gevolg van een verstopte talgklier. Veel taalgebruikers maken geen verschil omdat het beide oogaandoeningen zijn. Voor de aandoening bestaan ook tientallen namen in de dialecten. Zo heet het in Brabant en Limburg meestal wegenscheetje of wegenschijter. Welke andere namen worden er nog gebruikt in Nederland en Vlaanderen?

Foto: Marco VerchCC BY 2.0

Zwijnepuistje, piepoog en padschijter

Bekijk de kaart in de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD), en je zal vlug zien dat er twee grote groepen woorden bestaan voor de aandoening. De eerste groep benoemt het zweertje zelf: wegenscheet, zwijnepuistje, strontje, etc. De tweede groep noemt het aangetaste oog: tipoog, piepoog, stijloog, weernoog, etc. Wat de benoemingsmotieven betreft, vallen drie groepen op. Een eerste motief is de vorm van het oog (zwijnoog, tipoog, pinkoog); een tweede groep verwijst naar de etter in het oog, een symptoom van de aandoening (draddeltjesoog, preutoog). De derde groep ten slotte houdt verband met een oud volksgeloof (wegenschijterd, padschijter, strontje, zeikertje, kerkstichel). Hieronder volgt een toelichting bij elk van de drie groepen.

Tipoog

Een van de gevolgen van een zweertje op het ooglid is dat je je oog niet goed kan openhouden. Het ziet eruit alsof het dicht zit, je knippert vaak en je knijpt je oog ook wel eens toe. Wat je met je oog doet, vind je onder andere in de Vlaamse namen pinkoog en piepoog. Een toegeknepen oog lijkt op een tip uit te lopen, vandaar ook tipoog. Het oog wordt vergeleken met varkensogen: varkensoog, zwijnenoog, waardoor ook het zweertje – vooral in West-Vlaanderen – namen krijgt met zwijn: zwijntje, zwijnepuistje, enz.

In Brabant en Limburg komt ook vaak de vorm weern of weernoog voor. Hier wordt niet echt de vorm van het oog benoemd, maar wel hoe het oog eruitziet: een oog met een zweertje erop. De vorm zonder oog benoemt het zweertje zelf. Ook Duitse dialecten kennen wern voor de gerstekorrel. De vormen wernooghe en weernooghe staan al in de 16e-eeuwse woordenboeken van Plantijn en Kiliaan. Sommige taalgeleerden verbinden de etymologie van weern met die van wrat. Beide woorden zijn afgeleid van een oud woord dat ‘verhevenheid, hoogte’ betekende. Het oog wordt hier dan genoemd naar het zweertje dat als een bolletje, een verhevenheid op het oog te zien is. Behalve weern en weernoog, hoor je in die streek ook nog weer(n)del (misschien een verkleinwoord?), weeroog en weenoog. Het laatste is een duidelijke volksetymologische interpretatie die ervan uitgaat dat je oog tranerig is.

Prutoog

Draddeltjesoog, preutoog, prutoog en p(r)euteloog verwijzen naar de etter in je oog. De woorden in deze groep zijn eenvoudig: in het eerste deel van het woord vind je ‘ ‘etterwoorden’ zoals draddel, preut, prut, peutel, preutel, etc.; het tweede deel is altijd oog.

Aandoening bij wildplassers

De laatste groep is de interessantste. Vroeger dacht men namelijk dat zo’n zweertje ontstond als je ergens je behoefte deed in het openbaar: aan een kerk of kapelletje, aan een heg, een linde, of gewoon op een openbare weg of pad of in een karrenspoor. Zowel de plaats waar je dat deed (wegescheet, padschijter, padzeiker, hagenschijter) als de pis en kak zelf (pisoog, poepestrontje, poepscheet, schijtvlek en het algemener gebruikte strontje of schijtoog) zie je wijdverspreid in alle Nederlandse dialecten. Minder duidelijk in deze groep zijn kerkstichel en stijloog/steiloog. De kerkstichel is een plaats bij de kerk, een tegel vanwaar men vroeger officiële bekendma­kingen deed. Als je op die tegel plaste – een heilige plaats – kreeg je dus als straf zeker zo’n zweertje op je oog. Een andere naam voor zo’n tegel is kerkstijl. Het zou dus kunnen dat stijloog ook verwijst naar deze plaats. Er is echter nog een andere hypothese. Die zegt dat steil (met korte ei) ‘star’ betekent. Steiloog verwijst dan naar de starre manier van kijken. Een oog waarop een zweertje staat, nijpt men vaak half toe en daardoor ziet men erg strak uit dat oog. Wie kiest voor deze interpretatie, denkt eerder aan de vorm van het oog en niet aan het bovengenoemde volksgeloof.

Steile padden en padstijlen?

Niet alleen stijl/steil zorgt voor verwarring, ook de pad – of het pad – doet dat. Pad kan je immers niet alleen als ‘weggetje’ interpreteren, zoals hierboven al gezegd, maar het kan ook de naam zijn van het dier. Paddenscheet lijkt in die richting te wijzen. Ook muggenscheet, vliegenscheet en duivenstront komen voor. Maar het kan natuurlijk ook volksetymologie zijn. Paddenschijter of –zeiker werd onduidelijk voor de spreker, waardoor een andere betekenis van een gelijkklinkend woord die plaats kon innemen, met nog andere vervormingen als gevolg. Etymologie is een boeiende, maar gevaarlijke bezigheid. Er blijven immers veel onduidelijkheden, omdat taal door de eeuwen heen veel geëvolueerd is en niet alles gereconstrueerd kan worden.