Categorieën
Uit de streek

merote

Van stelen naar stappen: op merote gaan.

De zomermaanden zijn uitermate geschikt om op stap te gaan. Soms ga je uit met vrienden en blijf je al eens wat langer weg – het is immers vakantie. Ouders weten dan niet altijd waar hun kinderen uithangen. In Zeeland, maar ook in Zuid-Holland en grote delen van Nederlandstalig België zeg je dan dat iemand op merote of marote is of gaat. Maar waar komt dat woord vandaan?

Foto: Pixabay

Franse roots

Zoals wel vaker gebeurt met woorden die vooral in het zuiden bekend zijn, moeten we de oorsprong zoeken in het Frans, in maraudeAller à la maraude of marauder betekende er ‘op rooftocht gaan, stelen’. Het werd vooral gebruikt in militaire context en gezegd van soldaten die op het platteland onder andere fruit gingen stelen. Une maraude is een ‘schelm, schurk’, maar betekende oorspronkelijk ‘krolse kater’. Het was een klanknabootsend woord. In die oude betekenis van kater komt maraude nu nog voor in Centraal- en West-Frankrijk.

Klankverschillen

Het dichtst bij het Frans blijft op marode, waarin de d nog bewaard is gebleven. Die d is later vaak een t geworden. Je hoort vaker marote of merote waarin de eerste lettergreep verdoft is. Dergelijke verdoffingen gebeuren wel vaker als er geen klemtoon op de eerste lettergreep ligt. De oo kan ook nog wat variëren, in sommige dialecten zoals in de Denderstreek wordt die een oe: op maroete, en hier en daar hoor je een o: op marodde.

Betekenisontwikkeling

In de loop van de geschiedenis is de betekenis van marauder/aller à la maraude wat veranderd. De oude betekenis ‘stelen’ is afgezwakt en het werkwoord wordt nu vooral gebruikt voor ‘rondlopen op zoek naar iets’. In het Frans wordt het bijvoorbeeld ook gebruikt voor taxi’s die doelloos rondrijden, wachtend op klanten die hen laten stoppen of voor liefdadigheidsorganisaties die onder andere in de winter met busjes rondrijden om daklozen te helpen. Ook in het Duits (sich auf Merode begeben, marodieren) en het Engels (to maraud) is het werkwoord bekend. In de Nederlandse dialecten heeft de betekenis zich dus verder ontwikkeld naar de meer neutrale betekenis ‘op stap gaan’. Nochtans zijn ook de negatievere betekenissen in zekere mate nog bekend. Op merode gaan betekent in Reusel bijvoorbeeld ‘verdacht rondlopen’ en op merode zijn wordt in Kaatsheuvel gebruikt om aan te duiden dat iemand een wild leven leidt met veel cafébezoekjes.

Op trot gaan

Om op stap te gaan heeft de dialectspreker een heel arsenaal aan werkwoorden en uitdrukkingen klaar zoals je kan zien op de kaart van de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD). Denk aan uitgaan, boemelen, op schok gaan, op tert gaan, op trot gaan, aan de zwadder zijn, op de lappen gaan, op rabot gaan, op de bijs gaan of uit biezen gaan en de breeveertiene opgaan

Bijzen en biezen gaan terug op het Middelnederlandse bisen dat ‘wild rondlopen, heftig heen en weer bewegen’ betekent. Je herkent het ook in het woord bijs of biezebijs voor ‘schommel’ in de Oost- en Zeeuws-Vlaamse dialecten.

Breeveertiene

De herkomst van de uitdrukking met breeveertiene moet je in de zee zoeken. Het is de naam van een zandbank voor de Nederlandse kust die 14 vadem – dat is een oude lengtemaat van ongeveer 1,8 meter om de waterdiepte te meten – diep is. De uitdrukking wordt vooral gebruikt om aan te geven dat iemand kwistig of losbandig is. Dat hangt wellicht samen met breed of het religieuze de brede weg, een uitdrukking uit de bijbel. Als je in het Zeeuwse Axel de breeveertiene opgaan gebruikt, is er zelfs een verschil in betekenis voor jongens en meisjes. Als jongens de breeveertiene opgaan, gaan ze aan de zwier en hebben ze gewoon plezier, maar meisjes zijn dan al op het verkeerde pad. Aanvankelijk betekende de uitdrukking ‘uitvaren’, misschien omdat veel schepen via deze zandbank voeren. Pas later kreeg de uitdrukking allerlei figuurlijke betekenissen, variërend van heel negatief (met de noorderzon vertrekken, een zedeloos leven leiden) tot het eerder neutrale ‘op stap gaan’.