Categorieën
Uit de streek

sargie

Waar wordt het woord sargie gebruikt en welke andere woorden bestaan er nog voor de deken in de verschillende dialecten?

De zomer kwam uiteindelijk toch nog even piepen in de tweede helft van augustus. We kregen zelfs een van de warmste nachten ooit. Een sargie hadden we die nacht niet nodig. Een sargie is een deken om je warm te houden in bed. Tegenwoordig gebruiken we donsdekens, maar vroeger waren het ruwe rechthoekige kleden die op het bed lagen. Waar wordt het woord sargie gebruikt en welke andere woorden bestaan er nog voor de deken in de verschillende dialecten?

Dialectkaart van deken uit de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD)

Sargen en lakens

Zoals op de kaart van de Database van de Zuidelijke Nederlandse Dialecten (DSDD) te zien is, komt sargie vooral voor in de Brabantse dialecten van Nederlandstalig België.  De verwante vorm sarge hoor je in West- en Oost-Vlaanderen en in Belgisch-Limburg. De uitspraakvariatie is wel groot: sarze, sars, serjie, sorze, sozje, suzze, …. Het woord sarge en varianten hebben we ontleend aan het Franse sarge en serge, en de Fransen hebben het weer ontleend aan het Latijn. Serica betekende oorspronkelijk ‘zijden stof’. Het Franse sarge evolueerde naar ‘gekeperde wollen stof’. Het werd uiteindelijk de naam voor het product dat met deze stof gemaakt werd: stoffen of wollen kleden. Hetzelfde benoemingsmotief vind je bij de lakens die je onder de deken legt. Ook dat woord is afgeleid van de stofnaam laken, een effen wollen stof die vroeger in heel wat steden in de Lage Landen werd geproduceerd. De naam Lakenhalle in Ieper is hier nog een opvallende herinnering aan, net als de Lakenhal in Leiden.

Dekkende dekens

Op de dialectkaart vind je het standaardtaalwoord deken vaker terug dan sargie en sarge. Het is immers het gewone woord in de Zeeuwse, Noord-Brabantse en Limburgse dialecten. Ook in noordelijkere dialecten in  Nederland kent men deken in deze betekenis. De naam deken heeft niets met de stof te maken waarvan het gemaakt is, maar laat ons zien waarvoor het gebruikt werd, namelijk om je toe te dekken. Het verwijst dus naar de functie. Ook het minder frequente woord dek is hiervan afgeleid. Soms wordt er aan dit dek nog een achtervoegsel geplakt zoals in dekling en deksel. Deksel kennen we uiteraard beter in de betekenis ‘iets om een hol voorwerp (kookpot, bokaal, …) af te sluiten’.

Spreien en kortepointes

Bovenop de lakens en dekens werden vroeger ook vaak bedspreien gelegd. Dat is een kleed dat als versiering dient. Het heet bijna overal sprei of bedsprei zoals te zien is op de DSDD-kaart van de bedsprei. Sprei of bedsprei is afgeleid van het werkwoord spreiden. Je spreidt dat kleed over de deken. In de westelijk Vlaamse dialecten hoor je ook Franse woorden. In Frans-Vlaanderen en het zuidwestelijke hoekje van West-Vlaanderen heet de sprei een kortepointe. Het is afgeleid van het Franse courtepointe dat verwijst naar een doorgestikte deken, een soort quilt. In de buurt van Brussel vertaalde een informant het naar koortapijt. In Nederlands-Limburg is trouwens het woord stikdeken bekend als naam voor de bedsprei. En in de buurt van Heerlen gebruikt men naast sprei ook Steppdecke. Een ander Frans woord dat in Frans- en West-Vlaanderen gebruikt wordt is couvrelit. De bedsprei bedekt (couvre) het bed (lit) als het ware.

Overtrekken

Nog heel even kunnen we slapen met enkel een laken over ons, maar straks hebben we toch weer dekens of sarges en misschien zelfs een bedsprei nodig om ons warm te houden in bed. Of zouden die al overal vervangen zijn door de donsdekens en de overtrekken? Voor die relatief nieuwe voorwerpen bestaan er nauwelijks dialectwoorden.


Meer lezen