Terug in de taal

virus

Door Roland de Bonth

Een virus is feitelijk niet meer dan een hoopje erfelijk materiaal, verpakt in een eiwitmantel. Virussen zijn zo klein – tussen de 0,000 000 020 en 0,000 000 300 meter – dat ze met een gewone microscoop niet te zien zijn; daarvoor heb je een veel krachtigere elektronenmicroscoop nodig. Het eerste exemplaar daarvan werd pas in 1931 gebouwd door de Duitse natuurkundige Ernst Ruska (1906-1988). Hoewel we een virus dus pas sinds de vorige eeuw met eigen ogen kunnen aanschouwen, komen we het woord al in de zeventiende eeuw tegen! Hoe is dat nu mogelijk?

Elektronenmicroscoop van Ernst Ruska. Afbeelding: Wikimedia Commons

Konstwoord

In de vierde druk van zijn Nederlandsche woordenschat (1663) geeft Lodewijk Meijer (1629-1681) Nederlandse equivalenten voor bastaardwoorden en voor ‘konstwoorden’. Met kunst in de huidige zin heeft dat laatste woord niets te maken; hij begreep er uitheemse vaktermen onder, op het gebied van de wijsbegeerte, de geneeskunde, de rechtsgeleerdheid en de godgeleerdheid. Eén van die ‘konstwoorden’ is virus. Dit aan het Latijn ontleende woord omschrijft Meijer als ‘vergiftighe etter’. In die betekenis gebruikt ook Johann Hübner het in zijn Algemeen Kunstwoordenboek der wetenschappen (1734):

 Virus betekent eigentlyk een vloeijend vogt, dog word gemeenlyk voor Gift genomen. De kwaadaartige materie van een vergiftige zweer, word ook Virus genaamt 

In de betekenissen ‘vergif’ – in het bijzonder dierlijk gif – of ‘besmettelijke stof’ blijft virus tot in de eerste helft van de twintigste eeuw bestaan. Daarna is het gebruik ervan verouderd.

Ziekteverwekker

Al aan het begin van de twintigste eeuw zijn er bronnen aangetroffen waarin virus de huidige betekenis van ‘ziekteverwekker’ heeft, maar pas in de jaren dertig en veertig wordt het op grotere schaal gebruikt. In de medische vaktaal is virus onveranderd overgenomen uit het Latijn. Het woord kende oorspronkelijk geen meervoud, dus toen er behoefte bestond aan een meervoudsvorm koos men de voor hand liggende Nederlandse meervoudsvorm virussen. Er zijn ook voorstellen gedaan om een op het Latijn (vira, virus) of Duits (viren) geïnspireerd meervoud te vormen, maar deze bedachte vormen hebben geen voet aan de grond gekregen.

Computer

Met de opkomst van de informatietechnologie kregen we ook te maken met een ander soort virus, in de vorm van een ‘schadelijk computerprogramma’. Dit aan het Engels ontleende woord is in Nederland voor het eerst opgetekend in 1988. Een computervirus is – zo schreef het tijdschrift Mens en Wetenschap in 1992 – ‘’meestal vrij eenvoudig te verwijderen”. Laten we hopen dat dit binnenkort ook gezegd kan worden van coronavirus COVID-19.

  • virus in het Woordenboek der Nederlandsche Taal
  • virus op etymologiebank.nl
  • virus op Ensie.nl

Op deze website maken wij gebruik van cookies.