Terug in de taal

huikefaak

Door Dirk Geirnaert

400 jaar geleden, op 23 augustus 1614, stierf geheel onverwacht Gerbrand Adriaenszoon Bredero. Hij was pas 33. Volgens de recentste opvattingen zou hij depressief geworden zijn na een ongelukkige liefde en zelfmoord gepleegd hebben. Bredero was een van de opvallendste auteurs uit de Gouden Eeuw en het is dan ook terecht dat 2018 een goed gevuld herdenkingsjaar is met een mooi aanbod aan Brederoactiviteiten (zie daarvoor de leuke en informatieve website). Het is ook een mooie gelegenheid om even te wijzen op enkele opvallende woorden in zijn literaire werk. want wat moeten we ons voorstellen bij een woord als huikefaak?

G.A. Brederode

G.A. Brederode via Wikimedia Commons

Kaasjagers en troggelzakken

Bredero's toneelstukken, gedichten en liederen zijn steeds geschreven in rechttoe rechtaan 17e-eeuws Nederlands. Ze leveren ons kleurrijke woorden als grijnsbek (huilebalk), boerekikken (een rommelende maag hebben), lebbigheid (botte uitspraak), saggelaar (zeurpiet), kaasjager (zwerver, landloper), verpullen (aan drank spenderen, verzuipen) of troggelzak (bedelaar). Ook al gebruiken we deze woorden nu niet meer, bij de meeste snap je met wat fantasie nog wel wat Bredero ermee bedoelt. Maar bij huikefaak, een woord dat we twee keer in een van zijn toneelstukken tegenkomen, is dat moeilijker en hebben we naast onze fantasie toch ook het woordenboek nodig.

Hokkefaaien met de huikefaak

Huikefaak is opgebouwd uit huiken, een variant van hukken/hurken, en faak dat verwant is met Duitse dialectwoorden als fachs ('grap'), fäx ('grappenmaker'), veix ('onbeholpen persoon') en fiks ('verachtelijk mens'). Ook ons woord feeks is er waarschijnlijk mee verwant. Een huikefaak is dan eigenlijk iemand die graag ergens neer gaat hurken en het zich daar gemakkelijk maakt. Vandaar ook: persoon met wie je je tijd verdoet of (positief opgevat): compagnon, vriend(in), maatje.  Maar het betekent ook 'iemand die zich van de domme houdt, iemand die zich anders voordoet dan hij is' en vandaar ook 'oplichter, bedrieger' of (algemener) 'deugniet, nietsnut'. Het afgeleide werkwoord huikefaken, 'rotzooien, scharrelen', sluit bij deze negatieve betekenis aan. In tegenstelling tot huikefaak is dit werkwoord niet uitgestorven: het leeft in de vorm hokkefaaien tot op de dag van vandaag nog voort in het dialect van Leiden.