Terug in de taal

buiksparig

Door Dirk Geirnaert

Januari is de maand van de goede voornemens. Die gaan dan dikwijls over inspanningen om in het nieuwe jaar gezonder te gaan leven. Sportscholen worden vervolgens frequenter bezocht en je zoekt weer eens naar bruikbare hardloopschema's. Maar het streefdoel is toch meestal: minder eten en minder alcohol. Dus je googelt opnieuw hoe je je BMI moet berekenen, je haalt geen snoep, koek of chips meer in huis en je doet mee aan dry january (Nederland) of tournée minérale (Vlaanderen).

Voor deze soberheid bestond in de 16e eeuw de verbinding buiksparig zijn (letterlijk 'spaarzaam of zuinig zijn wat je buik betreft'). De prikkel hiervoor was echter zelden de wens om af te vallen of om een strakker lichaam te krijgen. Je vastte uit religieuze motieven of simpelweg gedwongen door armoede. Of uit gierigheid, zoals de rijke boer in dit WNT-citaat uit 1567 van Eduard de Dene:

Een boer en bijnghel, hebbende groot rijckdom, buucksparich magher, gaende met een rabauts cleet ('Een rijke, domme boer, mager uit gierigheid en gekleed lopend in lompen')

Buiksparig in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)

Op deze website maken wij gebruik van cookies.