Categorieën
Terug in de taal

klophengst

Sinterklaas klopt in deze tijd zachtjes tegen het raam. Krijgt hij daarbij de hulp van een klophengst?

Hoor, wie klopt daar, kind’ren? Hoor, wie klopt daar, kind’ren? Hoor, wie klopt daar zachtjes tegen ’t raam? Kleine gelovigen weten het antwoord wel. Het is een vreemdeling die luistert naar de naam Sint-Nicolaas. Elk jaar komt hij met de stoomboot uit Spanje om lieve kinderen te verblijden met cadeautjes. Eenmaal aan land verplaatst de goedheiligman zich op de rug van Ozosnel – “Ja, hij rijdt in donk’re nachten, Op zijn paardje, o zo snel”. Zou deze vierbenige hulp van Sinterklaas een klophengst zijn?

Beestachtig

Laten we hopen van niet, want een klophengst is een ‘je-weet-welpaard’. Tegenwoordig zal een paardendokter zijn patiënt eerst plaatselijk verdoven, voordat hij hem ontmant. Maar zoveel diervriendelijkheid viel de klophengst helaas niet ten deel. Het eerste deel klop verwijst namelijk naar de manier waarop hij is gecastreerd. Kloppen betekent hier ‘de teelballen van mannelijke dieren door slagen kneuzen en zodoende onbruikbaar maken’.

Deze in onze ogen barbaarse methode van castreren is inmiddels verdwenen en daarmee ook de eigenlijke betekenis van klophengst. Daarnaast kon het woord ook betrekking hebben op paarden waarbij één teelbal niet is ingedaald in de balzak, maar in de buikholte is blijven zitten. Anders dan het gecastreerde paard kan deze klophengst wel vruchtbaar zijn. In die betekenis kennen we het woord nog altijd. Overigens was in het noorden en oosten van Nederland een ander woord voor klophengst in beide betekenissen in gebruik: wreen.

Beesten zonder ballen

Het gebruikelijke woord voor een gecastreerde hengst is ruin. Paardenpiet heeft mij laten weten dat Ozosnel er een is. Het verwijderen van de teelballen vond ook plaats bij andere dieren waarmee de mens samenleeft. Om ze te onderscheiden van hun vruchtbare soortgenoten gebruikten onze voorouders daarvoor verschillende woorden: barg (gesneden zwijn), gelding, hamel of we(d)er (alle gesneden rammen), os (gecastreerde stier), reu (gecastreerd konijn).

Ook een haan moest er soms aan geloven. Het zogeheten lubben – “in beschaafde taal liefst vermeden” merkt het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) in 1923 fijntjes op – had tot doel om het dier beter te laten groeien en zijn vlees smakelijker te maken. Daarmee werd hij een kapoen, een gecastreerde haan. Is er nu een verband met het kapoentje uit het welbekende sinterklaasliedje? Dat zou kunnen. Een van de mogelijke verklaringen is dat de celibataire levensstijl van de bisschop van Myra geassocieerd wordt met castratie. Maar of je daar nu in moet geloven?